Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van witwassen en medeplichtigheid daaraan. De officier van justitie vroeg vrijspraak voor het primair ten laste gelegde witwassen, maar achtte medeplichtigheid wel bewezen. De verdediging betoogde dat er geen opzet was en vroeg ook vrijspraak voor het subsidiaire feit.
De rechtbank oordeelde dat verdachte niet wist van de bankrekeningen die op zijn naam waren geopend en dat er geen bewijs was dat hij beschikking had over de gelden. Hierdoor kon het voorhanden hebben van de geldbedragen niet bewezen worden, wat leidt tot vrijspraak voor witwassen.
Voor medeplichtigheid stelde de rechtbank vast dat verdachte weliswaar foto’s van zijn identiteitskaart en zichzelf aan een ander ter beschikking had gesteld, maar dat dit op 11 oktober 2021 gebeurde, terwijl de tenlastelegging sprak van “op of omstreeks 19 oktober 2021”. Volgens vaste jurisprudentie valt 11 oktober niet onder deze termijn, waardoor ook voor medeplichtigheid vrijspraak volgt.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank veroordeelde de benadeelde tot de kosten van verdachte, die nihil waren begroot.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank op 20 april 2023 te Breda.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van witwassen en medeplichtigheid wegens onvoldoende bewijs en onjuiste tijdsaanduiding.