4.3.2De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De vader van [slachtoffer] , [vader slachtoffer] , huurt van [moeder verdachte] , een loods op haar erf. Op 20 augustus 2021, omstreeks 20.00 uur, is [slachtoffer] met haar vader, oom en tante bij de loods. Verdachte heeft op die avond met [slachtoffer] op het erf gefietst. Om 22.30 uur rijdt [slachtoffer] in de bus met haar vader, oom en tante mee naar huis. [slachtoffer] zit achterin naast haar tante. Tegen haar tante vertelt [slachtoffer] dat [verdachte] aan haar plasdoosje heeft gezeten en dat dat pijn deed en dat hij aan haar kontje heeft gekriebeld. [slachtoffer] vertelde ook dat haar plasdoos pijn deed. Op verzoek van de tante stopt de vader het busje. Hierna vertelt [slachtoffer] tegen haar vader dat verdachte aan haar plasdoosje en kontje heeft gezeten, dat dit kriebelde en dat zij bij haar plasdoosje iets scherps heeft gevoeld. De vader belt de politie en wacht op hun komst. Als [verbalisant] ter plaatse komt, gaat zij met [slachtoffer] in de politieauto zitten. Op de vraag van [verbalisant] wat verdachte bij haar heeft gedaan, antwoordt [slachtoffer] dat [verdachte] aan haar heeft gezeten en dat dat nu pijn deed. [slachtoffer] wees daarbij naar haar schaamstreek. Verder vertelde [slachtoffer] aan [verbalisant] dat verdachte aan haar billen heeft gezeten en dat dat nu kriebelde.
Algemeen
Aan verdachte is een zedendelict ten laste gelegd. Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het feit dat zij zich voordoen in een situatie waarbij slechts twee personen aanwezig zijn: een verondersteld slachtoffer en een veronderstelde dader. Indien de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. De bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De Hoge Raad heeft het belang van deze bepaling bij herhaling benadrukt door te overwegen dat deze strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daar staat echter tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaring van de aangever voldoende wettig bewijs kan opleveren.
De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer]
De rechtbank zal eerst beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] als betrouwbaar dient te worden gekwalificeerd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval. [slachtoffer] verklaart in de kern consistent en komt authentiek over. Ook over de handelingen heeft [slachtoffer] consistent en authentiek verklaard. Zij verklaart steeds dat zij is aangeraakt in de schaamstreek en bij haar billen en dat de aanrakingen in de schaamstreek pijn deden en dat de aanrakingen bij de billen kriebelden. [slachtoffer] is in een kindvriendelijke studio gehoord door gecertificeerde rechercheurs en ook daar beschrijft zij dezelfde handelingen die verdachte bij haar heeft verricht.
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] .
De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande dan ook vanuit dat de handelingen op de manier zoals deze ten laste zijn gelegd daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, dat deze handelingen ontuchtig zijn geweest en dat [slachtoffer] hiervan slachtoffer is geworden.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het verdachte is geweest die de ontuchtige handelingen bij [slachtoffer] heeft gepleegd.
Gelegenheid en daderschap van verdachte
Verdachte heeft op de bewuste avond met [slachtoffer] over het erf gefietst en zij zijn daarbij uit het zicht geweest van de volwassenen die in de loods waren. Verdachte heeft dan ook de gelegenheid gehad om de ontucht te kunnen plegen. De rechtbank heeft voorts geen reden te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] die ziet op het daderschap van verdachte en ziet geen aanwijzingen voor een scenario dat [slachtoffer] verdachte valselijk zou beschuldigen. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
De vader, de tante en [verbalisant] verklaren onafhankelijk van elkaar dat zij [slachtoffer] diezelfde avond hebben horen zeggen dat de door haar beschreven handelingen door verdachte zijn gepleegd.
DNA-onderzoek
Op het politiebureau zijn diezelfde avond de legging en de onderbroek van [slachtoffer] veiliggesteld voor onderzoek. Verdachte heeft meegewerkt aan de afname van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek. Het NFI is verzocht de elf door de politie aangeleverde bemonsteringen en het referentiemateriaal van verdachte te onderwerpen aan een (vergelijkend) DNA-onderzoek. Het doel van dit onderzoek was om vast te stellen of de bemonsteringen DNA bevatten en, zo ja, van wie dat DNA afkomstig kan zijn.
In de bemonsteringen werden vijf DNA-sporen aangetroffen die mogelijk van verdachte afkomstig zijn. Bij deze sporen stelde het NFI steeds dat de bevindingen meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker zijn wanneer – kort gezegd – de bemonstering DNA bevat van verdachte dan wanneer deze DNA bevat van een willekeurige onbekende persoon. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de volgende vijf bemonsteringen DNA bevatten van de verdachte:
- op de legging: aan de binnenzijde van de voor- en achterkant langs de elastieken band;
- op de onderbroek: aan de binnen- en buitenzijde van het voorpand en aan de buitenzijde van het achterpand.
Dit sporenbeeld komt exact overeen met de verklaring van [slachtoffer] , inhoudende dat verdachte haar heeft aangeraakt in de schaamstreek en aan de billen. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring afgelegd voor de aanwezigheid van zijn DNA aan onder meer de binnen- en buitenzijde van het voorpand en de achterzijde van het achterpand van de onderbroek van [slachtoffer] . De verklaring van verdachte dat zijn DNA op de genoemde aangetroffen plekken door overdracht via de duw in haar zij, of via het stuur en/of het zadel van de fiets van [slachtoffer] en/of de duw in de zij van [slachtoffer] terecht is gekomen, acht de rechtbank onwaarschijnlijk. Doorslaggevend daarvoor is dat het sporenbeeld exact overeenkomt met de verklaring van [slachtoffer] .
De verklaring van [slachtoffer] over de ontucht in combinatie met de aangifte, de verklaring van [getuige] (de tante), het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] en de uitslag van het DNA-onderzoek levert naar het oordeel van de rechtbank niet alleen voldoende wettig, maar ook overtuigend bewijs op voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.