ECLI:NL:RBZWB:2023:2065

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 maart 2023
Publicatiedatum
29 maart 2023
Zaaknummer
22-017982
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4:5 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van verzet tegen dwangbevel wegens niet-betaalde verkeersovertredingsboete

Veroordeelde stelde verzet in tegen een dwangbevel van het CJIB waarin een bedrag van €516,65 werd gevorderd wegens een niet-betaalde boete voor een verkeersovertreding. Hij voerde aan dat hij pas recent het dwangbevel had ontvangen omdat het was gestuurd naar een adres waar hij niet meer woonde en dat hij niet wist wie de overtreding had begaan.

Het CJIB stelde dat de vertraging in kennisname voor rekening van veroordeelde kwam, aangezien alle correspondentie naar het adres van inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) was gestuurd. De rechtbank stelde vast dat de boete oorspronkelijk op 25 oktober 2020 was opgelegd en dat meerdere aanmaningen en herinneringen zonder retourzending naar het BRP-adres waren verzonden.

De rechtbank oordeelde dat het dwangbevel terecht was uitgevaardigd omdat veroordeelde op het BRP-adres stond ingeschreven en voldoende gelegenheid had gehad om te betalen. Het feit dat hij daar niet daadwerkelijk woonde, was voor zijn eigen risico. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel wordt ongegrond verklaard en het dwangbevel blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
rk-nummer: 22-017982
Beslissing op het verzetschrift ex artikel 6:4:5 van Pro het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het verzetschrift ex artikel 6:4:5 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingekomen ter griffie op 29 juni 2022 in de zaak:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1967,
wonende te [woonadres]
hierna: veroordeelde.

1.Procesgang

Het verzetschrift is op 29 juni 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 14 maart 2023 mevrouw [naam] van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), de officier van justitie en veroordeelde in openbare raadkamer gehoord.

2.Inhoud van het verzetschrift

Het verzetschrift is gericht tegen het dwangbevel van 10 november 2021, waarin wordt bevolen dat een verschuldigd bedrag van (in totaal) € 516,65 op veroordeelde wordt verhaald.
Veroordeelde heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat hij pas onlangs het dwangbevel onder ogen heeft gekregen. Het bevel was geadresseerd op een adres waar verzoeker wegens persoonlijke omstandigheden reeds lange tijd niet meer verblijft. Verzoeker begrijpt dat de grondslag voor het dwangbevel is gelegen in het begaan van een verkeersovertreding begaan met een voertuig gekentekend op naam van verzoeker. Omdat verzoeker op een ander adres verblijft, heeft eerdere berichtgeving hierover hem nooit bereikt. Ook is het verzoeker onbekend wie de overtreding heeft begaan. Als verzoeker op de hoogte was geweest van de strafbeschikking, dan had hij deze direct betaald nu hij als kentekenhouder aansprakelijk is voor de boete en had hij getracht om het geld te verhalen op de dader indien deze te achterhalen was. Verzoeker wordt nu geconfronteerd met zeer hoge kosten en verzoekt, gelet op het voorgaande, om alsnog het originele boetebedrag van 279 euro in rekening te brengen, welk bedrag hij direct zal betalen.

3.Standpunt van het Centraal Justitieel Incasso Bureau

Het CJIB heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar van veroordeelde moet worden afgewezen. Tijdens de openbare raadkamer heeft het CJIB aangegeven bij haar ingenomen standpunt te blijven. De omstandigheid dat veroordeelde op het moment van versturen van de boete en de daarbij behorende aanmaningen en kennisgevingen niet (daadwerkelijk) woonachtig was op het adres van inschrijving in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) en daardoor pas veel later van de te betalen boete op de hoogte is gekomen, komt voor rekening en risico van veroordeelde.

4.Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Bij oplegging van strafbeschikking van 25 oktober 2020 is aan veroordeelde een geldboete ter hoogte van € 270,00 opgelegd. Veroordeelde heeft geen verzet ingesteld tegen voornoemde strafbeschikking, zodat op 13 september 2020 het CJIB een eerste aanschrijving aan veroordeelde heeft verzonden. Omdat de geldboete niet is voldaan, is deze van rechtswege verhoogd en is aan veroordeelde en een eerste aanmaning verzonden. Omdat het bedrag niet is voldaan, is het openstaande bedrag verder verhoogd en is er een tweede aanmaning aan veroordeelde verzonden. Van deze correspondentie is niets onbestelbaar retour gekomen. Aangezien het bedrag nog steeds niet werd voldaan, is aan veroordeelde uiteindelijk, een herinneringsbrief verzonden, waarin veroordeelde is gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet voldoen van de vordering. Alle aanschrijvingen zijn verzonden naar het adres waar veroordeelde ten tijde van het versturen van de poststukken stond ingeschreven bij de BRP.
Op 3 juni 2022 is een dwangbevel uitgevaardigd, betrekking hebbend op de door veroordeelde nog steeds niet betaalde boete, inclusief de verhogingen van rechtswege.
Krachtens artikel 6:4:5 lid 3 Sv Pro kan een veroordeelde verzet doen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, inhoudende het verhaal op diens goederen. Het verzet wordt gedaan bij een bezwaarschrift dat vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag van inbeslagneming, dient te worden ingediend.
De verzetmogelijkheid is gegeven om op te kunnen komen tegen de wijze van verhaal. In dit geval is (nog) geen sprake van het in beslag nemen van goederen teneinde daarop het recht van verhaal uit te oefenen omdat de boete niet is betaald.
Volgens vaste rechtspraak kan veroordeelde in zijn verzet worden ontvangen hoewel nog geen sprake is van daadwerkelijke inbeslagneming.
De rechtbank is van oordeel dat het dwangbevel op goede gronden is uitgevaardigd, nu veroordeelde reeds meerdere malen in de gelegenheid gesteld het verschuldigde bedrag te betalen. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waaruit kan worden afgeleid dat de poststukken van het CJIB hem niet hebben bereikt. Alle aanschrijvingen zijn verzonden naar het BRP-adres van veroordeelde. Bovendien was veroordeelde op de hoogte van het gepleegde feit en had veroordeelde zelf contact kunnen opnemen met het CJIB. Veroordeelde heeft bovendien in raadkamer te kennen gegeven dat hij het verschuldigde bedrag (zonder nadere verhogingen) zo kan overmaken en dat veroordeelde had verwacht bericht te zullen krijgen van het CJIB via digitale weg. Dat veroordeelde in raadkamer aangeeft het niet eens te zijn met de verhogingen van de oorspronkelijke boete, is in deze procedure niet relevant. Hij had de gelegenheid verzet in te stellen en heeft dat achterwege gelaten. Aan de rechtbank ligt (enkel) ter beoordeling voor de vraag of het dwangbevel op goede gronden is uitgevaardigd. Daarbij hecht de rechtbank tevens doorslaggevende waarde aan de opmerking van veroordeelde dat hij inderdaad op het betreffende BRP-adres stond ingeschreven. De omstandigheid dat hij daar ingeschreven bleef, maar niet langer meer verbleef, komt voor rekening van veroordeelde.
De rechtbank zal het verzetschrift ongegrond verklaren.

5.De beslissing

De rechtbank verklaart het verzetschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 28 maart 2023 gegeven door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2023.