Belanghebbende, woonachtig in Duitsland sinds 1993, maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting over 2018 waarbij de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning had vastgesteld op €8.899 na vermindering van een eerdere aanslag van €12.944. Belanghebbende ontving diverse pensioenuitkeringen waarvan een deel in Nederland belastbaar was en een deel in Duitsland. De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kon worden aangemerkt en daarmee recht had op het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarde dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in Duitsland geen inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn, waarbij het wereldinkomen als uitgangspunt moest worden genomen. Ondanks een nihilaanslag in Duitsland was het wereldinkomen van €28.890 te hoog om te kwalificeren als een klein pensioen dat buiten belastingheffing valt. Ook op grond van het Unierecht kon belanghebbende geen aanspraak maken op de heffingskortingen omdat zijn belastingdruk in Nederland lager was dan die van een vergelijkbare ingezetene.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de aanslag en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter D.A. Hage en griffier A.S. Wiskerke-Hovanesian op 16 maart 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.