ECLI:NL:RBZWB:2023:105

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2023
Publicatiedatum
10 januari 2023
Zaaknummer
AWB- 20_8620
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding toegekend na intrekking beroep WIA-uitkering

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin zijn WIA-uitkering niet werd gewijzigd ondanks een hogere arbeidsgeschiktheid. Na het instellen van beroep en een zitting trok het UWV het bestreden besluit in en erkende dat verzoeker 100% arbeidsongeschikt was met duurzame beperkingen, waardoor hij recht kreeg op een IVA-uitkering.

Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten, waaronder kosten van rechtsbijstand, reiskosten en medische expertise. De rechtbank oordeelde dat het UWV aan het beroep tegemoet was gekomen en dat verzoeker daarom recht had op vergoeding van deze kosten.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 3.298,37, inclusief griffierecht, medische expertise en reiskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter J.E.C. Vriends en griffier M.H.A. de Graaf op 6 januari 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van € 3.298,37 aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens toekenning van een IVA-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/8620

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2023 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 9 april 2020 (primair besluit) heeft het UWV aan eiser meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) niet wijzigt. Wel is vastgesteld dat eiser meer arbeidsgeschikt is dan voorheen. Hij is met ingang van 9 april 2020 voor 70,48% arbeidsongeschikt.
In het besluit van 11 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting in de beroepszaak heeft plaatsgevonden op 7 januari 2022. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vragen gesteld aan het UWV.
In het besluit van 17 februari 2022 heeft het UWV het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten dat eiser per 9 april 2020 onveranderd 100% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. De hoogte van eisers WIA-uitkering wijzigt niet. Verzoeker heeft op dit besluit gereageerd.
In het besluit van 1 juli 2022 heeft het UWV besloten de beslissing van 17 februari 2022 te wijzigen, in die zin dat eiser niet alleen 100% arbeidsongeschikt is, maar dat zijn beperkingen duurzaam zijn. Eiser heeft daarom recht op een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA).
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Het UWV heeft gereageerd op het verzoek om vergoeding van proceskosten.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop trekt de rechtbank de conclusie dat het UWV tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoeker, door alsnog aan eiser een IVA-uitkering toe te kennen.
Eiser heeft verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, reiskosten van eiser naar de zitting bij de rechtbank (101 km x € 0,19) en de kosten van een medische expertise (€ 972,50 + € 204,23 BTW = € 1.176,73).
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt het UWV in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.092,50
(1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na het besluit van 17 februari 2022 met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1). Ook de kosten van de medische expertise inclusief BTW (€ 1.176,73) komen voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten van eiser voor zijn aanwezigheid bij de zitting komen op grond van het Bpb in aanmerking voor vergoeding op basis van he tarief voor openbaar vervoer 2e klas. Deze kosten bedragen 2 x € 14,57 = € 29,14. In totaal heeft eiser dus recht op vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 3.298,37.
De rechtbank wijst erop dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot het UWV moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 3.298,37.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 6 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.