Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
een recht op leveringvoor [bedrijf 1] doen ontstaan. Omdat een daadwerkelijke overdracht echter nooit heeft plaatsgevonden, zijn de delictsbestanddelen van het witwassen niet vervuld.
“afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
(stap I). Van de verdachte mag worden verlangd dat zij een verklaring geeft waaruit blijkt dat de ten laste gelegde voorwerpen
nietvan misdrijf afkomstig zijn
(stap II). Die verklaring moet concreet, verifieerbaar, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn
(stap III). Als de verdachte een zodanige verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen
(stap IV). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moet ten slotte worden beoordeeld of ondanks de verklaringen van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is
(stap V).
2) aanbetaling motor (kenteken [kenteken 2] ) 1.000
3) nota vakantie experts (gedeeltelijk contant) 398,49
4) verstrekte lening [bedrijf 2] 1.500
5) Audi S6 Avant (kenteken [kenteken 3] ) 40.000
6) keukenapparatuur 4.400
7) meubilair 9.350
8) Telefoon 255,55
9) Kleding 99,95
10) Audio apparatuur 7.980Totaal feitelijke contante uitgaven€ 70.483,99
€ 92.284,25meer contant is uitgegeven door verdachte, dan dat zij voorhanden zou kunnen hebben.
€ 87.884,25meer contant uitgegeven dan zij op legale wijze contant beschikbaar heeft gehad. Uit hetgeen hiervoor is overwogen stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan zijn dan dat dit vermogen uit enig misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft met dit vermogen een Audi S6 Avant gekocht in november 2015. Verdachte heeft, gelet op de ten laste gelegde pleegperiode, dit voertuig alleen voorhanden gehad en hiervan gebruik gemaakt. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde witwassen.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
(hierna: EVRM)is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Redelijke termijnDe rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht, waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of haar raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
witwassen
een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden;