Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2022:885

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 februari 2022
Publicatiedatum
22 februari 2022
Zaaknummer
AWB- 22_682 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 54 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering Participatiewet

Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg om zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet met ingang van 5 juli 2021 te beëindigen en de ontvangen uitkering over de periode tot 1 december 2021 terug te vorderen.

De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang van verzoeker voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker stelde dat hij niet meer in zijn levensonderhoud kon voorzien vanwege schulden en huurachterstand. Echter, de voorzieningenrechter oordeelde dat dit onvoldoende was om het spoedeisend belang aan te nemen, mede omdat verzoeker inmiddels een nieuwe bijstandsaanvraag had ingediend en een voorschot had ontvangen.

Daarnaast wees de voorzieningenrechter op procedurele aspecten, zoals het feit dat een hoorzitting over het bezwaar gepland stond en de beslissing op bezwaar spoedig zou volgen. Ook werd opgemerkt dat het college mogelijk de grondslag en datum van intrekking nader zou moeten motiveren.

Uiteindelijk wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/682 PW VV

uitspraak van 22 februari 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. L.A. Versteegh,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg(het college), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van 7 januari 2022 (bestreden besluit), waarin zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet is beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 5 juli 2021. Het college heeft bepaald dat verzoeker de door hem ontvangen bijstand over de periode van 5 juli 2021 tot en met 1 december 2021 moet terugbetalen. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Verzoeker ontving een bijstandsuitkering van het college. Het college heeft in een brief van 10 december 2021 een aantal bewijsstukken bij verzoeker opgevraagd naar aanleiding van een melding dat hij getrouwd zou zijn. Hij moest deze stukken uiterlijk 20 december 2021 inleveren. In een besluit van het college van 24 december 2021 heeft het college verzoekers bijstandsuitkering opgeschort met ingang van 1 december 2021.
Het college is in het bestreden besluit overgegaan tot het intrekken van verzoekers bijstandsuitkering, en heeft daarbij bepaald dat hij de door hem ontvangen bijstand over de periode van 5 juli 2021 tot en met 1 december 2021 moet terugbetalen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Hij heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter benadrukt dat de rechtspraak met betrekking tot het spoedeisend belang strikt is.
3. Verzoeker heeft het door hem gestelde spoedeisend belang onderbouwd door te stellen dat hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud. Hij voert aan dat hij verschillende schulden en betaalachterstanden heeft, waaronder een huurachterstand van twee maanden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker hiermee niet aannemelijk gemaakt dat in zijn situatie sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat uit telefonisch contact met partijen is gebleken dat verzoeker inmiddels een nieuwe aanvraag om bijstand heeft ingediend, en dat het college in het kader van deze aanvraag aan verzoeker een voorschot heeft verstrekt van € 500,-. Verder zal op 3 maart 2022 een hoorzitting plaatsvinden over verzoekers bezwaar tegen het bestreden besluit, en zal de beslissing op bezwaar naar verwachting worden genomen op 17 maart 2022. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat verzoeker de beslissing op bezwaar niet kan afwachten.
4. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat het college in het besluit artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet als grondslag noemt. Volgens dit artikel is het college bevoegd om een bijstandsuitkering in te trekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort. Verzoekers bijstandsuitkering is opgeschort met ingang van 1 december 2021, waarvan de voorzieningenrechter zich afvraagt of dit de juiste datum is, nu verzoeker tot 20 december 2021 de tijd had om gegevens in te leveren. Daarnaast heeft het college de uitkering ingetrokken met ingang van 5 juli 2021 in plaats van met ingang van de eerste dag waarop het recht op bijstand is opgeschort. De voorzieningenrechter geeft het college in overweging de grondslag en datum van intrekking mee te nemen bij de beslissing op bezwaar.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 22 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.