Eiser was tot november 2018 werkzaam als orderpicker en ontving daarna een WW-uitkering. Vanaf juli 2019 meldde hij zich ziek vanwege klachten aan zijn linkerschouder na een val met de fiets. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe vanaf augustus 2019. Na een eerstejaarsbeoordeling beëindigde het UWV de uitkering per 4 augustus 2020, maar na bezwaar stelde het UWV de beëindigingsdatum uit tot 19 februari 2021.
De kern van het geschil betrof de vraag of eiser op de datum van beëindiging nog recht had op de Ziektewet-uitkering. Medische rapportages van artsen onder verantwoordelijkheid van verzekeringsartsen van het UWV concludeerden dat eiser niet volledig arbeidsongeschikt was en dat zijn beperkingen voldoende waren geactualiseerd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Eiser stelde dat zijn slaapproblemen, aandacht en sociaal functioneren onvoldoende waren meegewogen en dat zijn specialist in Polen een langere arbeidsongeschiktheid had vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren dat eiser op de relevante datum meer beperkt was dan vastgesteld. De FML van 27 december 2020 vormde de basis voor de beoordeling dat eiser geschikt was voor bepaalde functies waarmee hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering bevestigd.