Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Stichting WOMB,
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
-op het moment dat de zorgindicatie wijzigde - de huurovereenkomst los is komen te staan van de zorgovereenkomst en voor onbepaalde tijd is aangegaan. Onvoldoende is gebleken dat dit de bedoeling was van partijen. De kantonrechter constateert dat er in november 2021 weliswaar is gesproken over het aanpassen van de huurovereenkomst, maar acht voorshands voldoende aannemelijk dat dit enkel en alleen zag op de betaling van de huurprijs. De indicatie was door Toegangsteam beschermd wonen immers omgezet naar een indicatie zonder huisvesting met als gevolg dat er dus geen sprake meer was van een vergoeding voor huurpenningen vanuit de gemeente en [gedaagde] de huur zelf moest gaan betalen. Nu zowel het Plan van Aanpak als de indicatie Beschermd Wonen blijkens het WMO besluit uitgaan van de einddatum van 12 april 2022, acht de kantonrechter voorshands aannemelijk dat de overeenkomst – behoudens een eventuele nieuwe geldige indicatie - deze einddatum heeft. Gezien die einddatum van 12 april 2022, die ook [gedaagde] bekend was, acht de kantonrechter het enkele feit dat er huurtermijnen zijn betaald en woonruimte ter beschikking is gesteld, onvoldoende om daaruit de conclusie te trekken dat er een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan na wijziging van de zorgindicatie.