Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil en de beoordeling
.In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser vordert ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot een August Forster A104 piano en verzoekt gedaagde te veroordelen tot teruggave van het gehuurde binnen drie dagen na vonnis. Tevens wordt machtiging gevraagd om zelf het gehuurde terug te halen met inzet van politie indien nodig. Daarnaast vordert eiser betaling van achterstallige huur, wettelijke rente, en incassokosten.
Gedaagde verschijnt niet en verzuimt een verweer in te dienen, waardoor verstek wordt verleend. De kantonrechter oordeelt dat de ontbinding van de huurovereenkomst terecht is en veroordeelt gedaagde tot teruggeven van de piano binnen twee weken na betekening van het vonnis. De gevorderde machtiging om zelf het gehuurde terug te halen wordt afgewezen wegens ontbreken van een wettelijke grondslag.
Verder wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van €550 aan huur vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 november 2022, onder aftrek van de dagwaarde van de vleugel bij retournering, en €25 huur voor oktober 2022 indien deze nog niet is voldaan. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen vanwege het ontbreken van een correcte aanmaning. Proceskosten worden toegewezen en nakosten voorwaardelijk toegewezen indien gedaagde niet binnen veertien dagen voldoet.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde veroordeeld tot teruggave van de piano en betaling van huur en proceskosten, met afwijzing van de machtiging tot zelfteruggave.