ECLI:NL:RBZWB:2022:7911
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herzieningsverzoek Wajong-uitkering afgewezen wegens ontbreken nieuwe feiten
Eiseres verzocht het UWV om herziening van het besluit uit 2013 waarin haar aanvraag voor een Wajong-uitkering werd afgewezen omdat zij naar oordeel van het UWV 75% van het minimumloon kan verdienen. Het UWV wees het herzieningsverzoek in 2020 af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat het UWV terecht oordeelde dat de medische situatie en belastbaarheid van eiseres sinds 2013 niet wezenlijk waren veranderd.
Eiseres stelde dat er wel nieuwe feiten waren, waaronder haar PDD-NOS en NLD-problematiek, emotieregulatieklachten en stressklachten die niet eerder waren meegewogen. De rechtbank vond echter dat deze informatie al bekend was en dat de eerdere beoordeling niet onjuist was. De verzekeringsartsen bevestigden dat er geen nieuwe feiten waren die herziening rechtvaardigen.
Wel oordeelde de rechtbank dat het UWV onvoldoende had onderzocht of eiseres binnen vijf jaar na het afronden van haar studie (de Amberperiode) duurzaam arbeidsongeschikt was, zoals vereist voor een Wajong-uitkering op grond van artikel 1a:1, tweede lid. Dit leidde tot een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in het bestreden besluit, waardoor dit deel van het besluit werd vernietigd en het UWV in de gelegenheid werd gesteld dit te herstellen.
De rechtbank houdt de verdere beslissing aan en geeft het UWV acht weken om het gebrek te herstellen. Indien het UWV dit niet doet, dient het dit binnen twee weken te melden. De rechtbank zal daarna zonder tweede zitting een einduitspraak doen. Het beroep is gegrond voor de Amberbeoordeling maar ongegrond voor de herziening van het besluit uit 2013.
Uitkomst: Het beroep is gegrond voor de Amberbeoordeling en het UWV krijgt gelegenheid het besluit te herstellen; het herzieningsverzoek voor het verleden wordt afgewezen.