ECLI:NL:RBZWB:2022:787

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 februari 2022
Publicatiedatum
17 februari 2022
Zaaknummer
AWB- 21_2062
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 APV TilburgArt. 172 GemeentewetArt. 125 GemeentewetArt. 16 Wet politiegegevensArt. 5:31d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen last onder dwangsom wegens overtreding artikel 67 APV Tilburg afgewezen

Eiser werd door de burgemeester van Tilburg een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 67 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), gericht op het voorkomen van drugshandel. Dit volgde op politiecontroles waarbij aanwijzingen voor drugshandel werden gevonden, waaronder geld, telefoongesprekken en aangetroffen drugs.

Eiser maakte bezwaar tegen de last onder dwangsom en de daaropvolgende invordering, stellende dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat hij de overtreding niet had begaan. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en dat de politiegegevens rechtmatig waren verstrekt. De bevindingen van de politie werden als betrouwbaar aangenomen, mede omdat eiser deze niet gemotiveerd betwistte.

De rechtbank vond de hoogte van de dwangsom proportioneel gezien het doel om herhaling te voorkomen en de zwaarte van het geschonden belang. Ook het beroep tegen de invordering van de dwangsom werd ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat de drugs niet van hem waren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter E.J. Govaers op 21 februari 2022.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom en de invordering daarvan wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/2062 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2022 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J. Woodrow),
en

de burgemeester van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 22 juni 2020 (primaire besluit) heeft de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 67 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Tilburg (APV).
Bij besluit van 10 september 2020 is de burgemeester overgegaan tot invordering van de dwangsom.
In het besluit van 1 april 2021 (bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Susijn, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.F. van Gansen.

Overwegingen

Feiten
1.1
Uit het proces-verbaal van 24 april 2020 volgt dat de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, district Hart van Nederland, omstreeks 03:40 uur een rode Renault Clio met hoge snelheid zag rijden op de [adres 1] . Op dit voertuig stond een aandachtsvestiging met betrekking tot het dealen in harddrugs. De politie gaf een stopteken en trof eiser aan in het voertuig. De politieambtenaren hebben geconstateerd dat een aandachtsvestiging op eisers’ naam stond met betrekking tot het dealen van drugs. Met toestemming van eiser werd het voertuig en de kleding van eiser doorzocht. In de jas werd een geldbedrag van € 470,- in kleine coupures aangetroffen. De politieambtenaren hoorden daarnaast een telefoon verschillende keren overgaan. Dit bleek een kleine Nokia telefoon te zijn. Eén verbalisant heeft opgenomen en kwam erachter dat de personen onder andere vroegen naar de zonnestudio te komen en om “hetzelfde” vroegen. Eiser werd aangehouden en is aan het lichaam onderzocht, waarna een etui met kleine zakjes met witte en bruine blokjes in het ondergoed van eiser werd gevonden.
1.2
Op 4 mei 2020 heeft de burgemeester het voornemen kenbaar gemaakt om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van artikel 67 van Pro de APV.
Tegen dit voornemen heeft eiser geen zienswijze ingebracht.
1.3
Vervolgens heeft de burgemeester op 22 juni 2020 een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende:
“U wordt gelast zich te onthouden van het op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en Pro 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren; aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Iedere waarneming van uw handelen wat te kwalificeren valt als handelingen als bedoeld in artikel 67 APV Pro Tilburg zal leiden tot het verbeuren van de dwangsom.
U zult vanaf het moment dat dit besluit aan u bekend is gemaakt, vanaf dat moment per daarop volgende geconstateerde overtreding van artikel 67 APV Pro Tilburg € 2.500,- verbeuren met een maximum van € 10.000,-. De termijn waarbinnen deze last geldt zal 2 jaar zijn. U begint daarna weer met een ‘schone lei’”.
1.4
De politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, district Hart van Nederland, heeft op 27 juni 2020 een proces-verbaal opgemaakt waarin staat weergegeven dat zij omstreeks 01:10 uur de Citroën van eiser zag rijden. De politieambtenaren hebben vervolgens de auto gekeerd en geconstateerd dat eiser zijn snelheid verhoogde en rechtsaf de [adres 2] in reed. De politieambtenaren zijn eiser achterna gereden, maar zagen eiser niet meer in de [adres 2] . De politieambtenaren hebben vervolgens geconstateerd dat het niet anders kon dan dat eiser met hoge snelheid rechtsaf de [adres 3] in was gereden. In deze straat stapte één verbalisant uit de auto, waarna hij te voet eiser ging zoeken. Na circa twintig seconden zag de verbalisant koplampen van een auto aangaan, waarna de auto optrok en zijn snelheid verhoogde. De verbalisant constateerde dat dit de auto van eiser betrof. De politieambtenaren hebben geconstateerd dat het voertuig van eiser een tijd aan het einde van de [adres 3] met de [adres 4] stil heeft gestaan. De politieambtenaren hebben eiser het stopteken gegeven. Vervolgens hebben de politieambtenaren geen drugs gevonden bij eiser of in het voertuig. Wel is bij eiser € 80,- en een witte iPhone in zijn zakken aangetroffen. Omdat de politieambtenaren een vermoeden hadden dat eiser was gestopt in de [adres 3] , hebben zij een eenheid gevraagd om naar de betreffende straat te gaan om te kijken of mogelijk ergens drugs was weggelegd. Deze eenheid heeft een zakje met vermoedelijk harddrugs op een hegje in de [adres 3] gevonden. Dit zakje was droog terwijl de heg en planten eromheen nat waren door de regen. De plek waar de drugs zijn aangetroffen is waar het voertuig ongeveer stil stond. Beide politieambtenaren – die ook bij de aanhouding van 24 april 2020 aanwezig waren – zagen dat de aantroffen drugs dezelfde soort en in dezelfde verpakking zaten als bij de controle op 24 april 2020.
1.5
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.6
De burgemeester heeft op 17 augustus 2020 aan eiser kenbaar gemaakt dat eiser op 27 juni 2020 opnieuw een overtreding heeft begaan en dat hij voornemens is om tot invordering van de verbeurde dwangsom ter hoogte van € 2.500,- over te gaan. Tegen dat voornemen heeft eiser op 31 augustus 2020 een zienswijze ingediend.
1.7
Op 10 september 2020 heeft de burgemeester besloten tot invordering van de verbeurde dwangsom.
1.8
Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester het bezwaar van eiser onder verwijzing naar en met overneming van het advies de Commissie voor de bezwaarschriften ongegrond verklaard.
Wettelijk kader
2. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage behorende bij deze uitspraak.
Heeft eiser artikel 67 van Pro de APV overtreden?
3. Eiser voert primair aan dat de burgemeester niet bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen omdat het bewijs onrechtmatig verkregen is. De informatieverstrekking van de politie aan de burgemeester is onrechtmatig, aangezien de zaak nergens in de politiesystemen terug te vinden is. De politie heeft hiermee de onrechtmatige aanhouding willen verbloemen, aldus eiser. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat hij artikel 67 van Pro de APV niet heeft overtreden. Op basis van de bevindingen van de verbalisanten kunnen verboden gedragingen niet worden vastgesteld.
3.1
De rechtbank overweegt dat de burgemeester op grond van artikel 172 van Pro de Gemeentewet is belast met de handhaving van de openbare orde. De burgemeester bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie. De politie verstrekt krachtens artikel 16, eerste lid, onder b en onder 2˚ van de Wet politiegegevens aan de burgemeester politiegegevens voor zover deze nodig zijn in het kader van de handhaving van de openbare orde. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de processen-verbaal van de politie dan ook niet onrechtmatig aan de burgemeester verstrekt. Aangezien eiser geen schriftelijk bewijs van de onrechtmatigheden rondom de aanhouding kon leveren, mocht de burgemeester van de processen-verbaal uitgaan.
3.2
De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een belastend besluit en dat het dus aan de burgemeester is om aannemelijk te maken dat sprake is van een overtreding van artikel 67 van Pro de APV. De omstandigheid dat eiser niet strafrechtelijk is veroordeeld, is in dat verband niet van belang. Gelet op de in het proces-verbaal weergegeven omstandigheden heeft de burgemeester aannemelijk geacht dat eiser in strijd met artikel 67 van Pro de APV handelingen aan het verrichten was met het kennelijke doel om Opiumwetmiddelen aan te bieden. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser de bevindingen van de politie over het geld en de telefoonoproepen niet gemotiveerd heeft betwist, zodat de burgemeester mocht afgaan van de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal.
Staat de hoogte van het bedrag van de dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom?
4. Eiser voert aan dat de hoogte van de dwangsom onredelijk en onevenredig hoog is. De dwangsom zou niet in verhouding staan tot de straffen die op een dergelijke overtreding staan vanuit de Opiumwet.
4.1
De rechtbank overweegt dat het doel van de last onder dwangsom is het voorkomen van herhaling van de overtreding van de APV. Naar het oordeel van de rechtbank staat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde werking van de dwangsom.
Kon de burgemeester redelijkerwijs overgaan tot invordering van de last onder dwangsom?
5. Bij het besluit van 10 september 2020 heeft de burgemeester besloten over te gaan tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 2.500,-. Dit besluit maakt, gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Awb van rechtswege deel uit van dit geding.
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij op 27 juni 2020 onderweg was naar huis en niets is waargenomen dat duidt op het dealen van verdovende middelen. Er is geen bewijs dat de aangetroffen drugs van eiser waren.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester op grond van de in het proces-verbaal beschreven omstandigheden aannemelijk heeft kunnen achten dat eiser in strijd met artikel 67 van Pro de APV andermaal aan het rondrijden was met het kennelijke doel om Opiumwetmiddelen aan te bieden. Daarbij is het van belang dat eiser de bevindingen van de politie over het rondrijden niet heeft verantwoord en niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gevonden drugs niet van hem waren, zodat de burgemeester mocht afgaan op de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal. Het betoog van eiser slaagt dan ook niet.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.C. van Spreuwel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2022.
M.H.C. van Spreuwel, griffier
E.J. Govaers, rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

BIJLAGE

Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Tilburg (APV)

Artikel 67:
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en Pro 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Gemeentewet

Artikel 125:
1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
Het derde lid bepaalt dat de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van de regels welke hij uitvoert.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:31d:
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:32:
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Artikel 5:39:
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.