De ouders van een minderjarige die onder voogdij staat van een gecertificeerde instelling (GI) verzochten om uitbreiding van de omgangsregeling met hun kind, die momenteel eenmaal per acht weken begeleid plaatsvindt. De minderjarige verblijft in een gezinshuis en vertoont na omgang met de ouders terugvalsignalen en stress.
De GI en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden de rechtbank om de omgangsfrequentie niet uit te breiden vanwege de emotionele en gedragsmatige gevolgen voor het kind, die een langere hersteltijd nodig heeft. De ouders betwistten dit en stelden dat de beperking onvoldoende onderbouwd was en dat de omgang juist bevorderlijk zou zijn.
De rechtbank stelde vast dat de GI voldoende had onderbouwd waarom de omgangsfrequentie was teruggebracht van zes naar acht weken en dat de belangen van de minderjarige prevaleerden. De rechtbank wees het primaire verzoek van de ouders af en bepaalde dat de omgang begeleid en eenmaal per acht weken plaatsvindt, zonder belcontacten, met het oog op het welzijn en de ontwikkeling van het kind.
De rechtbank gaf aan dat een aanvullend onderzoek door een onafhankelijke instelling wenselijk is om de omgang in de toekomst beter af te stemmen. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de omgang te waarborgen.