ECLI:NL:RBZWB:2022:7656
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag OZB met vergoeding immateriële schade
Belanghebbende is eigenaar van een appartement waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2019 is vastgesteld op €259.000. Tegen deze waarde en de daarop gebaseerde aanslag OZB is bezwaar gemaakt, dat door de heffingsambtenaar is afgewezen. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde onder meer de gehanteerde indexering, de correctie van het vve-aandeel en de vergelijking met referentiewoningen. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De stellingen van belanghebbende over onvoldoende rekening houden met verouderde voorzieningen en onjuiste indexering zijn niet gevolgd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de WOZ-waarde en aanslag OZB. Wel wordt een vergoeding van immateriële schade van €1.000 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van 8 maanden in de beroepsfase, te betalen door de minister. Daarnaast wordt een proceskostenvergoeding van €380 en griffierecht van €48 toegekend aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde en aanslag OZB worden gehandhaafd met een immateriële schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens termijnoverschrijding.