Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
‘geldtegoed(en) staande op de bankrekening(en) ten name van de onderneming met de handelsnamen " [handelsnaam 1] ", " [handelsnaam 2] " en " [handelsnaam 3] " (KvK- [nummer] ) en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of diens echtgenote [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] ’) weinig specifiek is, waardoor onduidelijk is waar de verdenking op ziet, ook indien dit wordt bezien tegen het licht van de inhoud van het strafdossier. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie desgevraagd niet kunnen verduidelijken wat verdachte onder dit punt wordt verweten. De rechtbank zal de dagvaarding voor dit onderdeel van feit 2 daarom nietig verklaren. De dagvaarding is voor het overige geldig.
4.De beoordeling van het bewijs
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De toepasselijke wetsartikelen.
8.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1, 2 primair en subsidiair, 3 en 4A tenlastegelegde feiten;
een gevangenisstraf van 121 (honderdeenentwintig) dagen;