ECLI:NL:RBZWB:2022:757
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WIA-uitkering wegens nabetaling verlofuren
Eiser was arbeidsongeschikt en ontving vanaf 19 februari 2018 een WIA-uitkering. In mei 2020 vond een afrekening plaats waarbij niet opgenomen verlofuren werden uitbetaald. Het UWV herzag daarop de WIA-uitkering over die maand en vorderde een bedrag van €2.331,39 terug, omdat deze nabetaling als loon moest worden gekort op de uitkering.
Eiser betwistte de herziening en voerde aan dat de nabetaling betrekking had op een periode vóór de ingangsdatum van zijn WIA-uitkering, en dat het UWV-beleid en artikel 4:1, zevende lid, AIB dit niet toestonden. Tevens stelde hij dat de menselijke maat zich tegen de herziening verzette.
De rechtbank oordeelde dat uit het verlofurenoverzicht bleek dat de nabetaling niet aan een periode vóór 19 februari 2018 was toe te rekenen, zodat het UWV-beleid terecht werd toegepast. Het beroep op de menselijke maat werd verworpen omdat de situatie niet vergelijkbaar was met de toeslagenaffaire. Het beroep werd ongegrond verklaard en het terugvorderingsbedrag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.