Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 2 december 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser was tot januari 2019 werkzaam als vrachtautochauffeur en heeft zich in februari 2019 ziekgemeld. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, die per 2 november 2020 werd beëindigd omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser tegen deze beëindiging.
De medische beoordeling door verzekeringsartsen van het UWV, inclusief een bezwaar- en beroepsarts, concludeerde dat eiser weliswaar beperkingen heeft, maar niet zodanig dat hij geen passende arbeid kan verrichten. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) werd opgesteld met beperkingen op sociaal functioneren en fysieke belastbaarheid, maar zonder noodzaak tot aanvullende beperkingen. Eiser voerde aan dat zijn concentratieproblemen, schouderklachten en andere beperkingen onvoldoende waren meegewogen, maar de rechtbank vond de medische onderzoeken zorgvuldig en voldoende gemotiveerd.
De arbeidsdeskundige van het UWV stelde dat eiser in staat is om functies als wikkelaar, productiemedewerker industrie en monteur printplaten te verrichten. Eiser betwistte dit, maar de rechtbank vond geen reden om de geschiktheid van deze functies in twijfel te trekken. Op basis van deze functies concludeerde het UWV dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waardoor het recht op ZW-uitkering vervalt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter R.P. Broeders op 2 december 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 2 november 2020.