De veroordeelde maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, stellende dat het bevel tot afname niet voldeed aan de wettelijke eisen en dat bijzondere omstandigheden een uitzondering rechtvaardigden. Hij voerde aan dat het bevel disproportioneel was omdat het drie jaar na aanhouding werd afgegeven en hij geen recidive had gepleegd.
De officier van justitie stelde dat het bevel correct was en dat het verwerken van het DNA-profiel proportioneel en noodzakelijk was vanwege de ernst van het misdrijf, namelijk handelen in strijd met de Opiumwet, waarvoor een taakstraf was opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift tijdig en ontvankelijk was en dat aan de formele en materiële vereisten van de Wet DNA was voldaan. De rechtbank verwierp het beroep op een uitzonderingssituatie, omdat de aard van het misdrijf en de omstandigheden van de veroordeelde geen reden gaven om af te zien van DNA-onderzoek.
De rechtbank concludeerde dat het bevel voldoende specifiek was en dat het bezwaar ongegrond verklaard moest worden. De beslissing werd op 30 mei 2022 uitgesproken door rechter E.B. Prenger.