ECLI:NL:RBZWB:2022:727

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 februari 2022
Publicatiedatum
14 februari 2022
Zaaknummer
AWB- 20_4979
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking omgevingsvergunning na mediation

Verzoekster stelde beroep in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal om een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van 14 garages. Na een mediationtraject bereikten partijen een vaststellingsovereenkomst en trok het college op verzoek van de vergunninghouder de vergunning in. Vervolgens trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank overwoog dat het college tijdens het mediationtraject toezeggingen had gedaan aan de vergunninghouder en daarmee aan het beroep tegemoet was gekomen. Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan de rechtbank in dat geval het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 759,- en wees erop dat het griffierecht van € 354,- op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb door het college moet worden vergoed. De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster ad € 759,-.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/4979

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2022 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [plaatsnaam 1] , verzoekster

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.
Als derde-partij neemt aan het geding deel:
[naam derde-partij], te [plaatsnaam 2] .

Procesverloop

In het besluit van 16 augustus 2019 (primair besluit) heeft verweerder besloten om een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van 14 garages op het adres [adres] , perceel nr. [perceelnummer] , te [plaatsnaam 2] .
In het besluit van 16 januari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Partijen hebben een mediationtraject doorlopen. Dit traject is afgerond met een vaststellingsovereenkomst waarbij partijen tot een vergelijk zijn gekomen.
In het besluit van 24 augustus 2021 heeft verweerder op verzoek van vergunninghouder de bestreden omgevingsvergunning ingetrokken.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat zij bereid is om de proceskosten en het griffierecht te vergoeden.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning weliswaar is ingetrokken op verzoek van vergunninghouder, maar pas nadat verweerder tijdens het mediationtraject - niet nader genoemde – toezeggingen aan vergunninghouder heeft gedaan.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-, met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 354,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van C.A.F. Kalb, griffier, op 15 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.