Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze strafzaak tegen verdachte B.V. wegens milieu- en arbeidsomstandighedenovertredingen met betrekking tot asbest, heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. De procedure kende een aanzienlijke vertraging van 68 maanden, grotendeels toe te schrijven aan het stilzitten van het openbaar ministerie.
De zaak startte met een melding in januari 2014 en leidde tot een strafrechtelijk onderzoek met meerdere zittingen en getuigenverhoren, maar kende daarna een langdurige stilstand. Pas in november 2021 werd de zaak weer behandeld, waarna in november 2022 de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijkheid vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn niet slechts met strafvermindering kon worden gecompenseerd, maar dat de beginselen van een behoorlijke procesorde ernstig waren geschonden. Daarbij speelde mee dat de officier van justitie zelf de niet-ontvankelijkheid vorderde en dat verdachte vrijwillig en bewust instemde met een afdoeningsvoorstel, waarbij afstand werd gedaan van verdedigingsrechten.
De rechtbank concludeerde dat de belangen van verdachte door de grove veronachtzaming van het openbaar ministerie waren geschaad en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.