Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze strafzaak over milieu- en arbeidsomstandigheden gerelateerde verdenkingen met betrekking tot asbest, heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. De zaak kende een aanzienlijke vertraging van 68 maanden, grotendeels toe te schrijven aan het stilzitten van het openbaar ministerie en niet aan de verdediging.
De verdenking betrof het veroorzaken van gevaar voor de openbare gezondheid door het ontmantelen van acetyleencilinders met asbest, en het niet naleven van de Arbeidsomstandighedenwet, waarbij verdachte leiding zou hebben gegeven aan de verboden gedragingen. Na langdurige procedurele stilstand en meerdere zittingen, vorderde de officier van justitie uiteindelijk zelf niet-ontvankelijkheid, mede vanwege een afdoeningsvoorstel waarbij verdachte vrijwillig afstand deed van verdedigingsrechten.
De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn niet slechts compenseerbaar was door strafvermindering, maar dat de beginselen van een behoorlijke procesorde waren geschonden. Gezien de vrijwillige instemming van verdachte met het afdoeningsvoorstel en het verzoek van de officier van justitie, werd niet-ontvankelijkheid uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.