ECLI:NL:RBZWB:2022:7004

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 november 2022
Publicatiedatum
24 november 2022
Zaaknummer
22/309
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting bij gebruik variabele bedrijfsvergunning

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd omdat bij controle bleek dat er geen parkeergeld was betaald terwijl de auto geparkeerd stond in een zone met parkeerbelasting. Belanghebbende beschikte over een variabele bedrijfsvergunning, die vereist dat het kenteken via een app wordt aangemeld om de vergunning te activeren.

Belanghebbende stelde dat mogelijk sprake was van een systeemfout waardoor de aanmelding niet geregistreerd was, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat parkeren met de vergunning alleen geldt als aan alle voorwaarden wordt voldaan, waaronder het aanmelden via de app. Omdat dit niet was gebeurd, was er geen recht op vrijstelling van parkeerbelasting.

Subsidiair voerde belanghebbende aan dat de belasting bij het verkrijgen van de vergunning al was voldaan, maar de rechtbank verwierp dit omdat het aanmelden via de app een aparte aangiftehandeling is die niet was verricht. De naheffingsaanslag werd daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de naheffing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/309
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2022 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [vestigingsplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] )
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 december 2021.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [aanslagnummer] (hierna: de naheffingsaanslag).
1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .

2.Feiten

2.1.
Op 29 september 2021 omstreeks 9.55 uur stond belanghebbendes auto, een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] , geparkeerd in de Baronielaan in Breda. De Baronielaan ligt in een zone waarvoor parkeerbelasting moet worden betaald.
2.2.
Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door middel van een scanauto vastgesteld dat belanghebbende geen parkeergeld heeft betaald. Naar aanleiding daarvan heeft hij aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 66,00, bestaande uit een bedrag van € 1,50 aan parkeerbelasting en € 64,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.
2.3.
Bij de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag beschikte over een variabele bedrijfsvergunning. Door middel van deze vergunning kan belanghebbende, naar de rechtbank begrijpt, zelf bepalen wanneer en voor welk kenteken de vergunning om te mogen parkeren in de betreffende zone wordt gebruikt. Belanghebbende heeft erkend dat zij ervan op de hoogte was dat aan deze vergunning de voorwaarde was gekoppeld dat gebruik moet worden gemaakt van de bijbehorende app om de werking van de vergunning te activeren, voornamelijk inhoudende dat het kenteken wordt aangemeld (afmelden gaat automatisch aan het einde van de dag).
Systeemfout
3.3.
Belanghebbende stelt primair dat het aanmelden moet hebben plaatsgevonden, vertrouwende op het feit dat het een vaste dagelijkse routine is, maar dat er wellicht sprake kan zijn geweest van een systeemfout. De heffingsambtenaar heeft daartegenover gesteld dat ten tijde van het controlemoment in de systemen geen aanmeldingstransactie voor het kenteken [kenteken] was geregistreerd.
3.4.
De rechtbank overweegt dat van parkeren met een vergunning alleen sprake is indien bij het parkeren wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. Is aan één of meer van deze voorwaarden niet voldaan, dan is geen sprake van parkeren met die vergunning. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld voor wiens rekening en risico een eventuele systeemfout of storing moet komen. De rechtbank beantwoordt deze vraag in het nadeel van belanghebbende en overweegt dat het op de weg van belanghebbende had gelegen, als partij die stelt dat er een tekortkoming in het systeem is, om daarvan een begin van bewijs aan te dragen. Dat heeft zij niet gedaan.
Artikel 20 AWR Pro
3.5.
Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de verschuldigde belasting bij het verkrijgen van de vergunning reeds is voldaan en dat in dat geval naheffing niet is toegestaan. Belanghebbende verwijst hiervoor naar artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de daarop gebaseerde jurisprudentie.
3.6.
Niet in geschil is dat een van de voorwaarden voor het gebruik van de variabele bedrijfsvergunning is dat de auto moet zijn aangemeld in de 2ParkApp. Aangezien de geparkeerde auto met kenteken [kenteken] op het moment van de controle niet in de 2ParkApp was aangemeld, voldeed belanghebbende niet aan de aan de vergunning verbonden voorschriften. De handeling van het aanmelden vervangt de handeling van de aanschaf van een (digitaal of fysiek) parkeerkaartje. Wat die handeling in formeelrechtelijke zin inhoudt, is het doen van een aangifte parkeerbelasting. Nu niet aannemelijk is dat die handeling is verricht, heeft de heffingsambtenaar het recht om na te heffen. Ook om die reden gaat de vergelijking met de door belanghebbende genoemde jurisprudentie niet op. Dat betreft steeds situaties dat wel een aangiftehandeling is verricht (zij het dat er een gebrek aan kleeft zoals een onjuist kenteken of het onjuist plaatsen van het aangifte- en betaalbewijs).
3.7.
Nu belanghebbende niet heeft geparkeerd met een parkeervergunning door het niet voldoen aan de vergunningsvoorschriften én zij de verschuldigde parkeerbelasting evenmin op andere wijze (bij een parkeerautomaat of via een parkeerapp) heeft voldaan, is de naheffingsaanslag naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval terecht opgelegd. Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

4.Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

5.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 23 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.