ECLI:NL:RBZWB:2022:6910
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens tijdige beslissing Wob-aanvraag
Verzoekster diende op 31 maart 2022 een aanvraag in op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Omdat verweerder niet tijdig op deze aanvraag had beslist, stelde verzoekster op 20 mei 2022 beroep in bij de rechtbank. Verweerder besloot uiteindelijk op 20 juli 2022 op de aanvraag, waarna verzoekster haar beroep introk en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten.
De rechtbank overwoog dat verweerder aan het beroep tegemoet was gekomen door alsnog tijdig te beslissen. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan in een dergelijk geval proceskosten worden toegewezen aan de verzoeker. Gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd het gewicht van de zaak als licht beoordeeld.
De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 379,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 en een puntwaarde van € 759,- voor het indienen van het beroepschrift. Tevens wees de rechtbank erop dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 365,- moet vergoeden op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande op 17 november 2022.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister van VWS tot vergoeding van € 379,50 aan proceskosten aan verzoekster.