Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende kreeg op 20 januari 2021 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat tijdens een controle op 17 januari 2021 was vastgesteld dat voor haar auto geen parkeerbelasting was betaald. De heffingsambtenaar constateerde echter op 26 januari 2021 ambtshalve dat de aanslag ten onrechte was opgelegd en stortte het betaalde bedrag op 5 februari 2021 terug.
Ondanks deze terugbetaling maakte belanghebbende op 2 maart 2021 bezwaar tegen de naheffingsaanslag en verzocht zij om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en wees het verzoek om kostenvergoeding af.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende ten tijde van het indienen van het bezwaar wist of had kunnen weten dat de aanslag was vernietigd, mede omdat de terugbetaling reeds had plaatsgevonden en de heffingsambtenaar contact had opgenomen bij ambtshalve vernietiging. Hierdoor waren de gemaakte kosten niet redelijkerwijs nodig en kwam belanghebbende niet in aanmerking voor vergoeding.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat belanghebbende het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van de kostenvergoeding is ongegrond verklaard.