ECLI:NL:RBZWB:2022:6526
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen definitieve berekening huur- en zorgtoeslag 2018
Eiser maakte bezwaar tegen de definitieve berekening van zijn huur- en zorgtoeslag over 2018, omdat hij meent dat de Belastingdienst/Toeslagen een onjuiste inkomensschatting hanteerde. De rechtbank stelt vast dat de Belastingdienst/Toeslagen het inkomen van eiser en zijn toeslagpartner heeft vastgesteld op basis van de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2018, zoals gemeld door de Basisregistratie Inkomen (BRI).
De rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht is uitgegaan van deze definitieve inkomensgegevens en dat eiser daardoor een lager recht op toeslag heeft, wat leidt tot terugvordering van teveel ontvangen toeslagbedragen. De rechtbank wijst erop dat voorschotten op toeslagen gebaseerd zijn op schattingen en dat belanghebbenden wijzigingen moeten doorgeven.
Verder overweegt de rechtbank dat de terugvordering niet is gematigd omdat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet kwalificeren als bijzondere omstandigheden die matiging rechtvaardigen. De rechtbank erkent de verwarring over de verschillende instanties binnen de Belastingdienst, maar acht dit geen reden om af te zien van terugvordering.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenvergoeding toegekend. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aangeboden het griffierecht te vergoeden vanwege schending van de hoorplicht in de bezwaarprocedure.
Uitkomst: Het beroep tegen de definitieve berekening van huur- en zorgtoeslag 2018 wordt ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.