Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Raadkamernummer : 19-008292
datum : 25 maart 2022
[de veroordeelde] ,
Procedure
Vordering van het Openbaar Ministerie
Standpunt van de veroordeelde
Beoordeling
Beslissing
540 dagen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De veroordeelde is bij ontnemingsvonnis van 21 oktober 2004 veroordeeld tot betaling van €472.799,00 aan de staat. Na gedeeltelijke betalingen via conservatoir beslag en executoriaal beslag op een motorboot en een BMW X5 resteert een openstaand bedrag van €453.947,29. Ondanks herhaalde aanmaningen heeft de veroordeelde geen verdere betalingen verricht.
De officier van justitie vordert machtiging tot gijzeling voor de duur van 540 dagen op grond van artikel 6:6:25 Sv Pro, aangezien de vordering tot lijfsdwang was ingediend vóór 1 januari 2020 maar de uitspraak na die datum plaatsvindt. De veroordeelde stelt dat geen vervangende hechtenis is opgelegd en dat hij niet in staat is te betalen vanwege gebrek aan vermogen en afhankelijkheid van zorg.
De rechtbank oordeelt dat de vordering tot gijzeling toewijsbaar is omdat de veroordeelde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij buiten staat is te voldoen. De duur van 540 dagen is passend en voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs van onvermogen.
De rechtbank wijst de vordering toe en machtigt de officier van justitie tot toepassing van gijzeling voor 540 dagen, conform de huidige wettelijke regeling en overgangsbepalingen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot machtiging gijzeling toe voor 540 dagen wegens niet-naleving van de ontnemingsmaatregel.