Verzoeker diende een verzoekschrift in tot toekenning van een schadevergoeding van €2.720,08, bestaande uit kosten van rechtsbijstand en raadsman, naar aanleiding van een voorwaardelijk sepot in zijn strafzaak.
De rechtbank stelde vast dat het verzoek tijdig en op juiste wijze was ingediend en dat zij bevoegd was het verzoek te behandelen. Verzoeker beriep zich op redelijkheid en billijkheid om vergoeding te verkrijgen, omdat de zaak was geëindigd met een sepot. De officier van justitie stelde echter dat verzoeker niet ontvankelijk was vanwege de lopende proeftijd van het voorwaardelijk sepot.
De rechtbank overwoog dat bij een voorwaardelijk sepot de zaak pas is beëindigd nadat de proeftijd is verstreken zonder overtreding van de voorwaarden. Aangezien de proeftijd van één jaar op 21 oktober 2021 was ingegaan en nog niet verstreken was op het moment van de beslissing, verklaarde de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk. De beslissing werd op 30 maart 2022 uitgesproken.