Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Beoordeling door de rechtbank
3.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017, opgelegd door de inspecteur. De inspecteur had het bezwaar van belanghebbende eerder ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde het beroep op 6 september 2022 samen met de zaak van de fiscaal partner van belanghebbende.
De gemachtigde van belanghebbende gaf aan dat de uitkomst van deze zaak afhankelijk was van het oordeel in de zaak van de fiscaal partner (zaaknummer 21/1139). De rechtbank heeft in die zaak het beroep ongegrond verklaard. Gezien deze samenhang en het feit dat niet in geschil is dat de aanslag terecht en correct is opgelegd, verklaart de rechtbank het beroep van belanghebbende eveneens ongegrond.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en wijst het verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht af. De uitspraak is gedaan op 1 november 2022 door rechter V.A. Burgers in aanwezigheid van griffier F.E.M. Houben en is openbaar gemaakt via Rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017 wordt ongegrond verklaard.