Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.Inleiding
- in de periode van 17 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 te Lepelstraat cocaïne heeft bewerkt of opzettelijk aanwezig heeft gehad (feit 1 primair), dan wel voorbereidingshandelingen heeft verricht van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet (feit 1 subsidiair);
- op 27 maart 2020 te Poortvliet amfetamine, MDMA en/of cocaïne heeft geproduceerd of opzettelijk aanwezig heeft gehad (feit 2 primair), dan wel voorbereidingshandelingen heeft verricht van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet (feit 2 subsidiair);
- op 1 juli 2020 te Berkel en Rodenrijs 5.301,9 gram cocaïne heeft geproduceerd of opzettelijk aanwezig heeft gehad (feit 3 primair), dan wel voorbereidingshandelingen heeft verricht van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet (feit 3 subsidiair).
- de officier van justitie zal voor de ten laste gelegde feiten een gevangenisstraf van vier jaar vorderen;
- verdachte gaat een verklaring afleggen bij de politie;
- de verdediging doet afstand van de ingediende onderzoekswensen en doet geen nadere onderzoekswensen;
- door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd;
- als het vonnis wat betreft een opgelegde straf overeenkomt met de hiervoor genoemde strafeis, stellen de verdediging en de officier van justitie geen hoger beroep in tegen het vonnis, zodat de opgelegde straf direct kan worden geëxecuteerd.
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
I will fix it”.
eenzeef en
eenmagnetron en
eenpers en jerrycans voorhanden gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partij
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het onder 2 primair ten laste gelegde feit;
een gevangenisstraf van vier jaar;