ECLI:NL:RBZWB:2022:6183

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 oktober 2022
Publicatiedatum
26 oktober 2022
Zaaknummer
02-173297-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk bezit van grote hoeveelheid hasjiesj en hennep

Op 29 juni 2021 werd verdachte betrapt op het opzettelijk aanwezig hebben van 9113 gram hasjiesj en 83249 gram hennep in een opslagbox te Middelburg. Verdachte verklaarde dat hij de drugs in opdracht van een ander had opgeslagen en daarvoor een vergoeding ontving. De rechtbank achtte dit wettig en overtuigend bewezen op basis van processen-verbaal, camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte.

De verdediging voerde geen bewijsverweer en vroeg om geen gevangenisstraf op te leggen, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank hield rekening met het blanco strafblad van verdachte, zijn leeftijd van veertig jaar, het feit dat hij na het plegen van het feit zelf hulp heeft gezocht en een cognitieve gedragstherapie succesvol heeft afgerond, en dat hij inmiddels een baan heeft gevonden.

Hoewel de landelijke oriëntatiepunten voor dergelijke hoeveelheden softdrugs een gevangenisstraf van twaalf maanden als uitgangspunt nemen, besloot de rechtbank hiervan af te wijken en legde een taakstraf van 240 uur op, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. Dit als stimulans om herhaling te voorkomen. Verdachte werd vrijgesproken van wat meer of anders ten laste was gelegd.

De strafoplegging is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Het vonnis werd op 12 oktober 2022 door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitgesproken.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02/173297-21
vonnis van de meervoudige kamer van 12 oktober 2022
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
raadsman mr. J. Zevenboom, advocaat te Amsterdam.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 oktober 2022, waarbij de officier van justitie, mr. T.C.M. Hendriks, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft op de zitting direct mondeling uitspraak gedaan.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte 9113 gram hasjiesj en 83249 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 9113 gram hasjiesj en 83249 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. Hij baseert zich daarbij, kort gezegd, op de bekennende verklaring van verdachte en de processen-verbaal over het aantreffen van de drugs en de camerabeelden.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op grond van de processen-verbaal van bevindingen over het aantreffen van de drugs, de camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 9113 gram hasjiesj en 83249 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 29 juni 2021 te Middelburg opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9113 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en 83249 gram hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen. Gelet op de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden acht zij de vordering van de officier van justitie passend.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich op 29 juni 2021 schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 9113 gram hasjiesj en 83249 gram hennep. Hij heeft in opdracht van een ander de drugs in een opslagbox opgeslagen en kreeg daar € 500,00 per maand voor. Het is algemeen bekend dat de handel in softdrugs voor ernstige en overlastgevende criminaliteit zorgt. Ook leidt langdurig gebruik van softdrugs tot schade aan de gezondheid van de gebruikers. Mede om deze redenen staan er op dit soort feiten hoge straffen. Volgens de landelijke oriëntatiepunten van de rechtspraak is het uitgangspunt bij het opzettelijk aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden softdrugs een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank ziet echter aanleiding om ten voordele van verdachte van dit uitgangspunt af te wijken. Verdachte is veertig jaar en heeft een blanco strafblad. Hij heeft na het plegen van dit feit zelf hulp gezocht en heeft de cognitieve gedragstherapie positief afgerond. Ook heeft hij een baan gevonden. Daarnaast gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte is geschrokken van de strafrechtelijke consequenties die het plegen van dit soort feiten met zich meebrengt en schat daarom de kans op herhaling laag in. De rechtbank zal naast de taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen als steuntje in de rug voor verdachte bij het voorkomen van het plegen van nieuwe strafbare feiten.
Alles overziend vindt de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. Zij legt aan verdachte op een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet
gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
120 dagen;
- veroordeelt verdachte tot
een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. J.C.A.M. Los en mr. T.M. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is direct mondeling uitgesproken ter openbare zitting op 12 oktober 2022.
Mr. J.C.A.M. Los, mr. T.M. Brouwer en mr. E. Andraws zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.