Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2022 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser
,verweerder.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser ontving een Ziektewetuitkering die door het UWV werd beëindigd per 9 november 2021, omdat hij meer dan 65% van zijn vroegere loon kon verdienen. Eiser maakte op 6 december 2021 digitaal bezwaar tegen dit besluit, maar dit was buiten de wettelijke bezwaartermijn van zes weken die liep tot 19 november 2021.
Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege deze overschrijding. Eiser stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege een vertraagde ontvangst van het besluit en een verkeersongeval waardoor hij niet tijdig bezwaar kon maken of een gemachtigde kon inschakelen.
De rechtbank oordeelde dat de bezwaartermijn een fatale termijn is en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende de gehele termijn niet in staat was om tijdig bezwaar te maken. De medische stukken toonden geen zodanige ernst dat hij niet kon functioneren. Ook was niet gebleken dat hij geen gemachtigde kon inschakelen.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard.