Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2022 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Feiten
Beroepsgronden
Beoordeling
Conclusie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser had voor 2019 huurtoeslag aangevraagd en een voorschot ontvangen van €3.377,-. De Belastingdienst stelde het definitieve recht op huurtoeslag op €0,- wegens overschrijding van de vermogensgrens, gebaseerd op een schadevergoeding die deels immateriële schade betrof.
Eiser betwistte dat slechts €16.537,- van de schadevergoeding als immateriële schade mocht worden aangemerkt en stelde dat een hoger bedrag buiten beschouwing moest blijven, onderbouwd met medische stukken. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende objectief bewijs leverde om een hoger bedrag aan immateriële schade aan te nemen.
De rechtbank constateerde dat de Belastingdienst bij de terugvordering geen belangenafweging had gemaakt, wat een motiveringsgebrek opleverde. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand omdat de terugvordering terecht was. De Belastingdienst werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.