ECLI:NL:RBZWB:2022:5758

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 september 2022
Publicatiedatum
5 oktober 2022
Zaaknummer
AWB- 22_4336 VV en AWB- 22_4114
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 4 lid 1 bijlage II BorArt. 3 Beleidsregels Breda 2015Art. 8.2.3 planregelsArt. 4.2.1 planregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor bijgebouw in strijd met bestemmingsplan

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda om een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een vrijstaand bijgebouw op een perceel met de bestemming 'Wonen'. Het bijgebouw overschrijdt de maximale toegestane oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en is deels buiten het bouwvlak gesitueerd, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld. Hierbij is overwogen dat het college de vergunning heeft verleend op basis van artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht in samenhang met de Beleidsregels voor het afwijken van het bestemmingsplan. Verzoeker stelde dat het college ten onrechte een perceelsgedeelte met de enkelbestemming 'Groen' heeft meegerekend bij de oppervlaktebepaling en dat er sprake is van twee afwijkingen die samen de toegestane oppervlakte overschrijden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het begrip perceel in de Beleidsregels niet beperkt is tot het bouwperceel en dat het college redelijkerwijs heeft uitgegaan van het kadastrale perceel. Tevens is geoordeeld dat de overschrijding van het bouwvlak en de maximale oppervlakte niet cumulatief mogen worden geteld omdat het college met het vergunnen van het bijgebouw buiten het bouwvlak tevens de oppervlakteoverschrijding heeft opgeheven. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het bijgebouw wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4336 VV

uitspraak van 20 september 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. F.K. van den Akker
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam vergunninghouder], te [woonplaats vergunninghouder],
gemachtigde: mr. B.J.P.G. Roozendaal.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 juli 2022 (bestreden besluit) inzake de ongegrond verklaring van zijn bezwaren tegen de aan derde partij verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een bijgebouw op het perceel
[adres perceel] te [plaats perceel].
Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 20 september 2022. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. A.A.M. van Hoorn, kantoorgenoot van mr. F.K. van den Akker en door [naam betrokkene]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] en mr. F.L.M. Tijhof. Derde partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. B.J.P.G. Roozendaal.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Derde partij heeft op 20 januari 2022 verzocht om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een bijgebouw in de achtertuin van [adres perceel] te [plaats perceel]. Het bouwplan ziet op het realiseren van een vrijstaand bijgebouw bestaande uit een fietsenberging, een tuinberging, een atelier/berging en een hobbyruimte.
Bij besluit van 27 januari 2022 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. Daarbij heeft het college toepassing gegeven aan artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in samenhang met artikel 3 van Pro de Beleidsregels voor het afwijken van het bestemmingsplan Breda 2015 (hierna: de Beleidsregels).
Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.
3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “[naam bestemmingsplan]” rust op het perceel [adres perceel] de bestemming “Wonen”.
Artikel 8.2.3 van de planregels bepaalt – voor zover hier van belang – dat bijgebouwen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' en dat de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen maximaal 60 m2 mag bedragen.
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels bepaalt dat een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan bij een woning is toegestaan, met dien verstande dat de oppervlakte van de afwijking bij percelen met een oppervlakte groter dan 500 m² niet meer bedraagt dan 25 m² vermeerderd met 5% van de extra perceelsgrootte, tot een maximum van 50 m².
4. Het bouwplan is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan omdat de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen 79,9 m2 bedraagt en het achterste deel van het bijgebouw met een oppervlakte van 41,4 m2 buiten het bouwvlak is gesitueerd. Volgens het college kan met toepassing van artikel 3 van Pro de Beleidsregels in totaal 41,87 m2 aan bijgebouwen buiten het bouwvlak vergund worden. De oppervlakte van het perceel is volgens de bouwtekening 25 x 33,5 meter = 837,5 m2. Dat betekent 25 m² voor de eerste 500 m2 vermeerderd met 5% van de resterende 337,5 m2.
4.1
Verzoeker heeft in het kader van zijn verzoek om voorlopige voorziening aangevoerd dat het college geen toepassing heeft mogen geven aan artikel 4, eerste lid, van Bijlage II van het Bor, omdat dit in strijd is met de Beleidsregels. Daarbij heeft verzoeker zich primair op het standpunt gesteld dat het college heeft miskend dat 54 m2 met de enkelbestemming “Groen” niet kan meetellen bij de bepaling van de oppervlakte van het bouwperceel omdat daarop geen bebouwing is toegestaan. Verzoeker komt uit op 38,8 m2 (in plaats van 41,87 m2) en dat is ontoereikend om de afwijking van 41,4 m2 met toepassing van artikel 3 van Pro de Beleidsregels te kunnen vergunnen.
Subsidiair heeft verzoeker betoogd dat sprake is van twee afwijkingen van het bestemmingsplan die bij elkaar opgeteld een oppervlakte hebben van 61,4 m2, te weten een overschrijding van de grens van het bouwvlak waardoor 41,4 m2 van het bijgebouw buiten het bouwvlak wordt gebouwd en een overschrijding van de maximaal toegelaten oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen met bijna 20 m2 omdat een vrijstaand bijgebouw met een oppervlakte van 79,9 m2 wordt gebouwd.
Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om de omgevingsvergunning te schorsen.
4.2
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in artikel 3 van Pro de Beleidsregels de toegestane oppervlakte van de afwijking is gerelateerd aan percelen en niet aan bouwpercelen. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat verzoeker niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat het perceelgedeelte met de enkelbestemming “Groen” niet kan meetellen bij de bepaling van de oppervlakte van het perceel. Verzoeker heeft zich daarbij gebaseerd op artikel 4.2.1 van de planregels waarin - voor zover hier van belang - is bepaald dat de voor “Groen” aangewezen gronden niet mogen worden bebouwd, maar (deze planregel van) het bestemmingsplan is hier niet van toepassing omdat juist wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Van toepassing zijn bijlage II van het Bor en de Beleidsregels. In deze beide regelingen is geen definitie gegeven van perceel, zodat aangenomen moet worden dat dit begrip in deze regelingen niet is ingeperkt tot bouwperceel. Het college heeft daarom voor de berekening van de afwijkingsmogelijkheid in redelijkheid kunnen uitgaan van het kadastrale perceel van derde partij voor de bepaling van de oppervlakte.
De stelling van verzoeker dat de twee afwijkingen opgeteld moeten worden snijdt geen hout. Verzoeker miskent daarmee dat met het vergunnen van het achterste deel van het bijgebouw met een oppervlakte van 41,4 m2 buiten het bouwvlak, tevens de overschrijding van de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen van maximaal 60 m2 is opgeheven. Verzoeker heeft in zijn redenering ten onrechte een deel van het bijgebouw met een oppervlakte van 19,9 m2 dubbel geteld.
4.3
Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft gehandeld overeenkomstig de Beleidsregels. In zijn pro forma beroepschrift heeft verzoeker een nadere termijn voor het indienen van zijn beroepsgronden gevraagd en gekregen. Gelet hierop zal de voorzieningen-rechter niet tevens uitspraak doen op het beroep. Ter zitting heeft verzoeker niettemin nog een beroepsgrond aangevoerd met een interpretatie van de Beleidsregels over het gebruik van het begrip ‘bouwvlak’ in artikel 4 voor Pro het toestaan van een bijbehorend bouwwerk bij een woning buiten de bebouwde kom. Derde partij heeft bezwaar gemaakt tegen het late tijdstip waarop deze beroepsgrond in de voorlopige voorzieningprocedure is ingebracht. De voorzieningenrechter is met derde partij van oordeel dat niet valt in te zien dat verzoeker deze grond niet eerder naar voren heeft kunnen brengen. Daarom heeft de voorzieningen-rechter deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten.
5. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 20 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
P.H.M. Verdonschot, griffier T. Peters, voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.