Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 8 januari 2021 vond een geweldsincident plaats waarbij het slachtoffer werd mishandeld met onder meer een schop en een ruitentikker. Verdachte werd ervan verdacht samen met een medeverdachte het slachtoffer te hebben aangevallen. De officier van justitie stelde dat verdachte medepleger was en baseerde dit op getuigenverklaringen, een wond op de hand van verdachte en een vooraf opgesteld plan.
De verdediging betoogde dat de identificatie van verdachte onbetrouwbaar was, omdat de herkenning van verdachte door het slachtoffer pas ruim twee weken na het incident plaatsvond en vooral was gebaseerd op de ogen, terwijl eerdere verklaringen een andere persoon aanwezen. De rechtbank oordeelde dat de herkenning onvoldoende betrouwbaar was om als bewijs te dienen.
De rechtbank overwoog dat herkenningen die gebaseerd zijn op een ontmoeting in levenden lijve betrouwbaarder zijn dan die op foto's of later gegeven verklaringen. Aangezien de herkenning van verdachte voornamelijk op de ogen was gebaseerd en pas na een aanzienlijke tijd, achtte de rechtbank het bewijs onvoldoende. De overige aanwijzingen, zoals een wondje op de hand en de naam die door anonieme getuigen werd genoemd, waren niet doorslaggevend.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering, die bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende betrouwbaar bewijs voor poging tot zware mishandeling.