Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende en haar echtgenoot waren eigenaar van een rijksmonumentale woning die in 2016 werd verbouwd. Belanghebbende gaf in de aangifte inkomstenbelasting een bedrag van €50.139 aan aftrekbare onderhoudskosten op, waarvan zij 28% toebedeeld kreeg. De inspecteur nam echter geen aftrek van onderhoudskosten in de definitieve aanslag, maar verlaagde deze later via een verminderingsbeschikking en uitspraak op bezwaar tot een bedrag van €2.762 aan aftrekbare onderhoudskosten voor belanghebbende.
Belanghebbende ging in beroep tegen deze uitspraak en stelde dat hogere onderhoudskosten in aanmerking genomen moesten worden. Zij overlegde een eigen berekening en onderbouwing, terwijl de inspecteur een taxatierapport van een geregistreerd NRVT-taxateur overlegde waarin per verbouwingselement werd aangegeven wat onderhoudskosten waren.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de onderhoudskosten hoger waren dan het door de inspecteur gehanteerde bedrag. De inspecteur had gemotiveerd betwist en het taxatierapport bood een nauwkeurige onderbouwing. Belanghebbende kon slechts eigen inschattingen overleggen zonder specialisatie. De bewijslast lag bij belanghebbende en zij was daarin niet geslaagd.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de aanslag zoals vastgesteld bij de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2016 wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.