Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 6 september 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
gemachtigde: mr. J. van Heek,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een geschil tussen de erven van de overledene en het UWV over de hoogte van de Ziektewetuitkering over november 2019. Het UWV had de uitkering gekort met inkomsten uit dienstverband en pensioeninkomsten, waarbij de erven betwisten dat de pensioeninkomsten als inkomen in verband met arbeid mogen worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelt dat het tweede besluit van het UWV, waarin het eerdere besluit werd ingetrokken en de bezwaren ongegrond verklaard, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid vanwege een verkeerde wetsartikelaanduiding. Daarom wordt dit besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat de inhoudelijke beoordeling juist is.
Verder wordt geoordeeld dat het UWV terecht uitging van 100% loondoorbetaling bij ziekte als grondslag voor de korting, ondanks dat de betrokkene slechts 70% loon ontving. Ook is de kwalificatie van de pensioeninkomsten als inkomen in verband met arbeid juist, omdat geen uitzonderingen op de hoofdregel van toepassing zijn.
Het beroep tegen het eerste besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de erven.
De uitspraak is gedaan door rechter V.M. Schotanus op 6 september 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard, het tweede besluit wordt vernietigd wegens onzorgvuldigheid, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.