ECLI:NL:RBZWB:2022:509
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde na gedeeltelijke verlaging en verzoek immateriële schadevergoeding afgewezen
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld op €531.000,- voor het kalenderjaar 2020. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en de waarde verlaagd naar €499.000,-, het bedrag dat belanghebbende zelf tijdens de bezwaarprocedure had voorgesteld.
Belanghebbende stelde beroep in tegen deze beslissing en voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld zonder rekening te houden met de coronapandemie. De rechtbank oordeelde echter dat de heffingsambtenaar volledig tegemoet was gekomen aan het bezwaar en dat het beroep daardoor kennelijk ongegrond was, omdat er geen concrete gronden waren om de uitspraak op bezwaar te doorbreken.
Daarnaast verzocht belanghebbende om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar niet was overschreden en dat belanghebbende geen recht had op vergoeding. Het verzoek werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.