ECLI:NL:RBZWB:2022:504
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde en proceskostenvergoeding in bezwaar
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast op €116.000,- voor 2020 en legde een OZB-aanslag op. Belanghebbende maakte bezwaar, waarna de waarde werd verlaagd naar €114.000,-. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze uitspraak, onder meer vanwege vermeende te hoge waarde zonder rekening te houden met de coronapandemie.
De rechtbank constateerde dat tijdens de bezwaarprocedure overeenstemming was bereikt over de WOZ-waarde en dat het beroep daarom voor dat deel kennelijk ongegrond was. Wel werd geoordeeld dat belanghebbende recht had op een hogere proceskostenvergoeding dan toegekend in bezwaar, omdat de heffingsambtenaar onvoldoende had gemotiveerd waarom een lagere vergoeding passend was.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de termijn van twee jaar niet was overschreden. De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de proceskostenvergoeding en ongegrond voor de WOZ-waarde en immateriële schadevergoeding.