ECLI:NL:RBZWB:2022:4980

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 augustus 2022
Publicatiedatum
26 augustus 2022
Zaaknummer
AWB- 21_1991
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens verjaring invordering bestuursdwang

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis een besluit genomen tot invordering van een bedrag van € 12.000,-, het opleggen van een nieuwe last onder dwangsom van € 20.000,- en het afwijzen van een verzoek tot bestuursdwang. Verzoeker stelde bezwaar en vervolgens beroep in tegen dit besluit.

Tijdens de procedure concludeerde verweerder dat de vordering van € 12.000,- was verjaard per 21 oktober 2021. Naar aanleiding daarvan trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft het verzoek tot proceskostenveroordeling behandeld zonder zitting en gelet op de bereidheid van verweerder om de kosten te vergoeden indien het dossier gesloten wordt, het verzoek als kennelijk gegrond beoordeeld.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten ad € 759,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht, en wijst erop dat verweerder ook het griffierecht van € 181,- moet vergoeden. Hiermee wordt het dossier gesloten en de procedure beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het college van burgemeester en wethouders tot vergoeding van de proceskosten van € 759,- na intrekking van het beroep wegens verjaring.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1991

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2022 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. H.P.J.G. Berkers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 21 oktober 2020 (primair besluit) heeft verweerder besloten om 1) tot invordering van een bedrag van € 12.000,- over te gaan, 2) een nieuwe last onder dwangsom van € 20.000,- op te leggen en 3) het verzoek om toepassing van bestuursdwang (ingediend namens de buren van verzoeker) af te wijzen
In het besluit van 24 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het verweerschrift van 5 januari 2022 komt verweerder tot de conclusie dat de vordering van € 12.000,- per 21 oktober 2021 verjaard is.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat niet is komen vast te staan dat het bestreden besluit onrechtmatig is, maar dat zij bereid zijn om de proceskosten te voldoen indien dat leidt tot sluiting van het dossier.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Nu verweerder heeft aangeven bereid te zijn de proceskosten te voldoen als het dossier daarmee gesloten wordt, wordt het verzoek als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 181,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 26 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.