ECLI:NL:RBZWB:2022:4918
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep WIA-uitkering
Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin werd bepaald dat hij geen recht had op een WIA-uitkering over de periode van 5 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 en waarbij een terugvordering van € 6.193,18 was opgelegd. Na bezwaar wijzigde het UWV het besluit en verklaarde het bezwaar gegrond, waardoor de terugvordering kwam te vervallen.
Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelde vast dat het UWV aan het beroep was tegemoetgekomen en dat het verzoek tot proceskostenvergoeding voor de beroepsfase kennelijk gegrond was. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van € 759,- aan proceskosten, gebaseerd op de kosten van rechtsbijstand voor het indienen van het beroepschrift.
Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 49,- door het UWV moet worden vergoed op grond van de Awb, en dat verzoeker zich hiervoor rechtstreeks tot het UWV moet wenden. De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig en griffier C.A.F. Kalb op 23 augustus 2022.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van € 759,- aan proceskosten aan verzoeker.