Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het procesverloop
- de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier met zaaknummer C/02/399325 FA RK 22/3021;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 25 juli 2022 in bovengenoemde zaak, waarin opgenomen het tijdens die mondelinge behandeling namens verzoeker gedane wrakingsverzoek, gericht tegen mr.
2.Het verzoek
3.De feiten
4.De gronden van het wrakingsverzoek
5.De reactie van de rechter
- dat het vaste rechtspraak is dat het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn niet wordt aangetast enkel door het feit dat dezelfde rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een (andere) zaak dan wel dat de rechter eerder “bemoeienis” met een partij heeft gehad;
- dat het wrakingsverzoek wellicht is ingegeven door de gedachte van vrees voor precedentwerking van de op 9 november 2021 in een andere zaak met dezelfde verzoeker gegeven beschikking. Echter ziet het verzoek dat thans voorligt bij de rechter op nieuwe feiten en omstandigheden;
- dat de uitsluitende eerdere bemoeienis met verzoeker daarom geen reden is die gerechtvaardigd doet vrezen dat de rechter partijdig is. Die precedentwerking vloeit immers voor uit de consistente en samenhangende toepassing van het recht.
6.De beoordeling
7.De beslissing
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat de behandeling van de zaak met nummer C/02/399325 / FA RK 22/3021 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.