ECLI:NL:RBZWB:2022:3980

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 juli 2022
Publicatiedatum
20 juli 2022
Zaaknummer
C/02/369010 / FA RK 20-814
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:17 lid 1 BWArt. 10:92 lid 1 BWArt. 10:93 lid 1 BWArt. 1:199 BWArt. 1:200 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring ontkenning vaderschap huwelijk en afwijzing vaststelling biologisch vaderschap

De moeder, gehuwd geweest met de heer A, verzoekt de rechtbank om het vaderschap van de heer A over haar twee minderjarige kinderen te ontkennen en het vaderschap van de heer B vast te stellen. De kinderen zijn geboren binnen het huwelijk, waardoor het vaderschap van de heer A juridisch vaststaat. De moeder en de minderjarigen hebben de Eritrese nationaliteit en verblijven in Nederland, waar ook de gewone verblijfplaats van de kinderen is.

De rechtbank oordeelt dat Nederlands recht van toepassing is op grond van de woonplaats van de moeder en kinderen. De moeder heeft het verzoek tijdig ingediend binnen de wettelijke termijn van één jaar na geboorte. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunen het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de heer A, omdat deze sinds 2016 geen contact meer heeft gehad met de moeder en niet in Nederland verblijft.

De rechtbank acht aannemelijk dat de heer A niet de biologische vader is en dat de heer B dit wel is. De heer B is betrokken bij de opvoeding en wenst het vaderschap te erkennen. Het verzoek tot vaststelling van het vaderschap van de heer B is echter ingetrokken door de moeder, waardoor dit verzoek wordt afgewezen.

De rechtbank verklaart het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de heer A gegrond en wijst het verzoek tot vaststelling van het vaderschap van de heer B af. Hiermee wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie.

Uitkomst: Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de juridische vader wordt toegewezen; het verzoek tot vaststelling van het vaderschap van de biologische vader wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/369010 / FA RK 20-814
datum uitspraak: 6 juli 2022
beschikking betreffende gegrondverklaring ontkenning vaderschap en vaststelling vaderschap
in de zaak van
[naam],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. P.W. Bakkum te Zierikzee.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
Ten aanzien van de gegrondverklaring ontkenning vaderschap:-
[naam], hierna te noemen: [de heer A] , zonder bekende woon- of verblijfplaats;
Ten aanzien van de vaststelling van het vaderschap:
-
[naam], hierna te noemen: [de heer B] , wonende te [plaats] ;
Ten aanzien van beide verzoeken:
-
mr. D.J.A. Burlet, advocaat te Oostburg, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarigen:
  • [naam](hierna: [minderjarige 1] ), geboren te Schouwen-Duiveland op [geboortedag] 2019;
  • (ten tijde van indieing verzoek nog ongeboren)
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 18 februari 2020 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 28 april 2020 ingediende F9-formulier met bijlagen van mr. Bakkum;
- de beschikking van deze rechtbank van 21 oktober 2021 tot benoeming van een
bijzondere curator;
- het op 18 november 2021 ontvangen verslag van de bijzondere curator, met bijlagen;
- de brief van de Raad van 6 december 2021, ingekomen bij de griffie op 7 december
2021;
- de brief van mr. Bakkum van 10 december 2021, ingekomen bij de griffie op 14
december 2021;
- het door mr. Bakkum op 1 juni 2022 ingediende F9-formulier met bijlagen;
- een kopie van de verblijfsstatus van de moeder en de minderjarigen, zoals tijdens de mondelinge behandeling overgelegd.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 2 juni 2022. Bij die gelegenheid is verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordigster namens de Raad. Tot slot was [de heer B] aanwezig.
Alhoewel correct opgeroepen is [de heer A] niet verschenen.

2.De feiten

2.1
De moeder stelt op [huwelijksdatum] te [plaats] te zijn gehuwd met [de heer A] . Bij beschikking van 19 januari 2021 is door deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 15 juni 2021 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van ’s-Gravenhage.
2.2
De [minderjarige 1] is op [geboortedag] 2019 als kind geboren van de moeder en [de heer A] . De [minderjarige 2] is op [geboortedag] 2020 geboren als kind van de moeder en [de heer A] .
2.3
De minderjarigen verblijven bij de moeder en [de heer B] .
2.4
Bij beschikking van 21 oktober 2021 heeft de rechtbank mr. D.J.A. Burlet benoemt tot bijzondere curator over de [minderjarigen] .
2.5
De moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Eritrese nationaliteit. Ook [de heer B] heeft de Eritrese nationaliteit. De nationaliteit van [de heer A] is onbekend.

3.De verzoeken

3.1
De moeder verzoekt, voor zover uitvoerbaar bij voorraad:
I. Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van [de heer A] over [minderjarige 1] en haar thans nog ongeboren kind (thans: [minderjarige 2] ) gegrond te verklaren;
II. Het vaderschap van [de heer B] over [minderjarige 1] en haar thans nog ongeboren kind (thans: [minderjarige 2] ) vast te stellen.
3.2
[de heer A] is niet verschenen in de procedure en heeft geen schriftelijk verweer gevoerd. [de heer B] is wel verschenen in de procedure, maar voert geen verweer.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.1
Op grond van artikel 3 sub a Rv Pro komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de moeder en de minderjarigen hun gewone woonplaats in Nederland hebben.
4.1.2
Op grond van artikel 10:93 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is op de ontkenning van het vaderschap hetzelfde recht van toepassing als op het bestaan van de familierechtelijke betrekking. Ingevolge artikel 10:92 lid 1 BW Pro is op het bestaan van de familierechtelijke betrekking van toepassing het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de ouders of, indien dit ontbreekt, het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de ouders, en als die ook ontbreekt, het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat het tijdstip van de geboorte van het kind bepalend is.
4.1.3
Ten tijde van de geboorte van de minderjarige was de moeder in het bezit van een verblijfvergunning asiel bepaalde tijd. Dit heeft tot gevolg dat op grond van art. 10:17 lid 1 BW Pro wordt aangeknoopt bij de woonplaats van de moeder, zijnde in Nederland, in plaats van het recht van haar nationaliteit. De nationaliteit van de vader is onbekend, hoewel hij vermoedelijk de Eritrese nationaliteit heeft. Hiermee vervalt de aanknoping met de gemeenschappelijke nationaliteit van de moeder en [de heer A] . Ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] was er ook geen sprake van een gemeenschapelijke gewone verblijfplaats van de moeder en [de heer A] . Om die reden is het recht van de gewone verblijfplaats van het kind van toepassing is op het bestaan van de familierechtelijke betrekking.
4.1.4
De minderjarigen zijn in Nederland geboren en wonen sindsdien in Nederland, zodat kan worden vastgesteld dat hun gewone verblijfplaats in Nederland is. Aangezien op grond van artikel 10:92 lid 1 BW Pro het Nederlandse recht van toepassing is op het ontstaan van de familierechtelijke betrekking, is het Nederlands recht ook op grond van artikel 10:93 lid 1 BW Pro van toepassing op het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het ouderschap.
4.2
Inhoudelijke beoordeling
4.2.1
In artikel 1:199 BW Pro is bepaald dat de vader van een kind is de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren is gehuwd. De moeder en [de heer A] zijn op [huwelijksdatum] te [plaats] , Eritrea, met elkaar gehuwd. Dit huwelijk wordt in Nederland erkend, zoals ook blijkt uit de beschikking van 19 januari 2021 van de Nederlandse rechter waarin de echtscheiding tussen hen is uitgesproken.Nu de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren op [geboortedag] 2019 en [geboortedag] 2020, zijn zij geboren binnen het huwelijk van de moeder en [de heer A] en daarmee staat het juridisch ouderschap van [de heer A] vast.
4.2.2
Op grond van artikel 1:200 BW Pro kan, voor zover hier van belang, gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap worden verzocht door de moeder, op de grond dat de juridische vader niet de biologische vader is van het kind. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap door de moeder, dient, gelet op artikel 1:200, vijfde lid, BW, te worden ingediend binnen één jaar na de geboorte van het kind. De rechtbank stelt vast dat de moeder haar verzoek tijdig heeft ingediend, waardoor zij kan worden ontvangen in haar verzoek.
4.2.3
De bijzondere curator heeft een verslag uitgebracht met haar bevindingen. Kort samengevat stelt zij zich op het standpunt dat het verzoek van de moeder tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [de heer A] kan worden toegewezen. Duidelijk is dat de juridisch vader ( [de heer A] ) niet de biologische vader kan zijn van de minderjarigen. Ook is duidelijk dat zowel de moeder als de biologisch vader ( [de heer B] ) niet twijfelelen aan het biologisch vaderschap van [de heer B] en dat hij onderdeel is en wenst te blijven van het leven van de minderjarigen. Hij wil tot erkenning overgaan. De minderjarigen hebben er belang bij dat het verzoek van de moeder met betrekking tot ontkenning van het vaderschap toegewezen wordt. Zij hebben niets van de juridisch vader te verwachten nu en in de toekomst, terwijl [de heer B] wel betrokken is bij de minderjarigen en hen mede opvoedt en verzorgt.
4.2.4
De Raad heeft zich aangesloten bij het verslag van de bijzondere curator. De Raad adviseert het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap over de drie minderjarigen toe te wijzen.
4.2.5
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de ingediende stukken en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling van 2 juni 2022 vindt de rechtbank voldoende overtuigend aangetoond dat de moeder sinds 2016 geen contact meer heeft gehad met [de heer A] . Zij is zonder [de heer A] in 2016 naar Nederland gekomen en niet gebleken is dat [de heer A] ooit in Nederland is geweest. Er is ook niet bekend waar hij wel verblijft. Onder die omstandigheden is het niet mogelijk dat [de heer A] de biologische vader van de [minderjarigen] is, aangezien zij in respectievelijk 2019 en 2020 zijn geboren. De rechtbank acht het aannemelijk dat [de heer B] de biologische vader van de minderjarigen is, gelet op de eensluidende verklaringen van de moeder en [de heer B] hieromtrent. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen. [de heer B] is betrokken in het leven van de minderjarigen en hij wenst hen te erkennen. De gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [de heer A] zorgt ervoor dat de weg hiertoe open gesteld wordt zodat de juridische situatie in overeenstemming kan worden gebracht met de feitelijke situatie. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [de heer A] , toewijzen.
4.3
Vaststelling vaderschap
4.3.1
Mr. Bakkum heeft het verzoek van de moeder tot vaststelling van het vaderschap van [de heer B] over de minderjarigen tijdens de mondelinge behandeling van 2 juni 2022 ingetrokken. Nu dit verzoek is ingetrokken behoeft het geen nadere beoordeling meer en zal het worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
verklaart gegrond de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van
[de heer A] over de minderjarigen [minderjarige 1] geboren te Schouwen-Duiveland op [geboortedag] 2019 en [minderjarige 2] , geboren te Goeree-Overflakkee op [geboortedag] 2020;
5.2
wijst af het verzoek van de moeder tot vaststelling vaderschap van [de heer B] ;
5.3
verzoekt de griffier – op grond van artikel 1:20e lid 1 BW – op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenten Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee.
Deze beschikking is gegeven door mr. I. Sumner, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2022 in tegenwoordigheid van mr. K.M.P. van Ginneke, griffier.
(KG)
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.