ECLI:NL:RBZWB:2022:3876
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Waarde WOZ woning vastgesteld in goede justitie op €395.000
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €415.000 per 1 januari 2019. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de door de heffingsambtenaar overgelegde taxatie onvoldoende inzicht gaf in de correcties toegepast op vergelijkingsobjecten, waardoor de vastgestelde waarde niet aannemelijk was. Belanghebbende had aannemelijk gemaakt dat de woning een minder dan gemiddelde staat van onderhoud en voorzieningen had, wat onvoldoende was meegewogen.
Belanghebbende slaagde er echter ook niet in aannemelijk te maken dat de waarde maximaal €385.000 kon zijn, mede vanwege het ontbreken van een onderbouwde berekening. De rechtbank stelde daarom de waarde in goede justitie vast op €395.000.
De aanslag onroerendezaakbelastingen werd dienovereenkomstig verminderd. De heffingsambtenaar moet het griffierecht van €48 aan belanghebbende vergoeden. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat geen verzoek daartoe was gedaan.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €395.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd.