De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde verzoeken tot gegrondverklaring van ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van twee minderjarigen, geboren in 2019 en 2021. De moeder en de heer A waren gehuwd in Eritrea, maar sinds 2011 is er geen contact meer tussen hen. De echtscheiding werd in 2021 ingeschreven in Nederland. De minderjarigen wonen bij de moeder in Nederland en hebben de Eritrese nationaliteit.
De bijzondere curator verzocht namens de minderjarigen de ontkenning van het vaderschap van de heer A te verklaren, wat de moeder onderschreef. De heer A verscheen niet in de procedure en voerde geen verweer. De rechtbank stelde vast dat het Nederlandse recht van toepassing is op grond van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen.
De rechtbank oordeelde dat het juridische vaderschap van de heer A vaststaat omdat de kinderen binnen het huwelijk zijn geboren, maar dat de biologische vader een ander is, namelijk de heer B. De moeder heeft aannemelijk gemaakt dat zij de heer A sinds 2011 niet heeft gezien en dat het niet mogelijk is dat hij de biologische vader is. De verzoeken zijn tijdig ingediend en worden toegewezen in het belang van de minderjarigen.
Het verzoek van de moeder tot ontkenning van het vaderschap van de heer A voor de tweede minderjarige wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, omdat de bijzondere curator dit verzoek reeds heeft ingediend en toegewezen gekregen. De rechtbank verzoekt de griffier een afschrift van de beschikking aan de burgerlijke stand te zenden.