ECLI:NL:RBZWB:2022:3642

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 juni 2022
Publicatiedatum
1 juli 2022
Zaaknummer
AWB- 21_3357
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:74 APVArt. 125 GemeentewetArt. 5:31d AwbArt. 5:32 AwbArt. 5:32b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling evenredigheid en redelijkheid van last onder dwangsom wegens drugsoverlast

Eiser werd op 3 maart 2021 door de burgemeester van de gemeente Roosendaal een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), omdat hij op een openbare plaats drugs bij zich had met het kennelijke doel deze te verhandelen. Eerder had de politie tijdens surveillance drugs en geld bij eiser aangetroffen, en was sprake van meerdere incidenten in de voorgaande twee jaar.

Eiser stelde in beroep dat de hoogte van de dwangsom onredelijk was en dat de burgemeester geen belangenafweging had gemaakt. De rechtbank stelde vast dat het primaire beroepsgrond was komen te vervallen en dat het geschil zich beperkte tot de proportionaliteit van de dwangsom en het handhavend optreden.

De rechtbank oordeelde dat het opleggen van de last onder dwangsom een geschikt en noodzakelijk middel was om drugsoverlast te bestrijden, mede gelet op eerdere incidenten met eiser. De dwangsom werd als evenwichtig beoordeeld omdat deze alleen geldt bij overtreding en eiser zich aan de wet kan houden. De hoogte van de dwangsom werd voldoende gemotiveerd en stond in redelijke verhouding tot het geschonden belang en de beoogde werking.

De rechtbank verwierp het beroep en verklaarde het ongegrond, waarbij geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter S.S.J. van Kooij op 30 juni 2022.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en de dwangsom is proportioneel en redelijk.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3357 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2022 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. S. van Minderhout,
en

de burgemeester van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 3 maart 2021 (primair besluit) heeft de burgemeester eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente [plaatsnaam] .
In het besluit van 22 juni 2021 (bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 3 mei 2022.
Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiser en [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] namens de burgemeester.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met 6 weken verlengd.

Overwegingen

1.
Feiten
1.1
In de bestuurlijke rapportage van de politie van 10 februari 2021 staat dat de politie gedurende een surveillance eiser en een andere persoon op een locatie aan de [adres] te [plaatsnaam] hebben aangetroffen. De surveillanten vermoedden dat zij een drugsdeal verstoorden. In de buddyseat van de scooter van eiser zijn 27 gripzakjes hennep, 32 zakjes cocaïne en 6 amfetaminepillen aangetroffen, als ook een geldbedrag.
Ook staat er in de rapportage dat er eerdere incidenten met eiser hebben plaatsgevonden in relatie tot overlast en/of criminele activiteiten ten aanzien van verdovende middelen. Dit allemaal in een tijdsbestek van twee jaar.
1.2
Op 17 februari 2021 heeft de burgemeester een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser verzonden. Eiser heeft hier geen zienswijze tegen ingediend.
1.3
Vervolgens heeft de burgemeester op 3 maart 2021 een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende: “
wordt u gelast om per direct de strijdigheid met artikel 2:74 van Pro de APV te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunt u doen door u niet meer op een openbare plaats binnen de gemeente [plaatsnaam] op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en/of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.Indien u niet aan de last voldoet en er wederom een overtreding van artikel 2:74 van Pro de APV plaatsvindt, zal van rechtswege een dwangsom worden verbeurd. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 7.500,- per elke geconstateerde overtreding, tot een maximaal bedrag van € 30.000,-.”Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
2.
Bestreden besluit
Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester het bezwaar onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften ongegrond verklaard.
3.
Wettelijk kader
Het wettelijk kader is opgenomen als bijlage bij deze uitspraak
4.
Beoordeling door de rechtbank
4.1
Ter zitting heeft eiser bij monde van zijn gemachtigde zijn primaire beroepsgrond laten vervallen. Het is niet meer in geschil dat eiser op 1 februari 2021 artikel 2:74 van Pro de APV heeft overtreden. De burgemeester was dus bevoegd om handhavend op te treden.
Ter zitting is door de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat het beroep zich beperkt tot de stelling dat de hoogte van de dwangsom onredelijk is. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser in zijn beroepschrift is aangevoerd ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank zal zich daarom eerst uitlaten over de vraag of het handhavend optreden in het geval van eiser zodanig onevenredig is dat de burgemeester om die reden van handhaving had moeten afzien.
Is handhavend optreden evenredig?
4.2
Eiser betoogt in beroep dat de burgemeester, zonder zijn belangen af te wegen, het bestreden besluit heeft genomen. De burgemeester had ook een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing, kunnen opleggen.
4.3
Artikel 125 van Pro de Gemeentewet voorziet in een discretionaire bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen. De burgemeester dient een belangenafweging te maken, om te beslissen of hij van de bevoegdheid gebruik maakt en op welke wijze hij van de bevoegdheid gebruik maakt. Voor de beoordeling of de burgemeester een juiste belangenafweging heeft gemaakt, zal de rechtbank de nieuwe maatstaf voor (de intensiteit van) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, zoals weergegeven in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) [1] en het meer specifieke toetsingskader - zoals weergegeven in de overzichtsuitspraak van de Afdeling [2] - in acht nemen. De voorzieningenrechter zal bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel een onderscheid maken tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid, zoals neergelegd in voormelde uitspraken van de Afdeling.
4.4
Geschiktheid
Naar het oordeel van de rechtbank is het opleggen van een preventieve last onder dwangsom een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het voorkomen van overtreding van artikel 2:74 van Pro de APV en (daarmee) het voorkomen of bestrijden van drugsoverlast in de stad en het wegnemen van het gevaar voor de openbare orde en veiligheid.
4.5
Noodzaak
De rechtbank is met de burgemeester van oordeel dat optreden tegen drugscriminaliteit en drugsoverlast in de gemeente [plaatsnaam] noodzakelijk is om de orde en de veiligheid in de stad te handhaven. Eiser heeft betoogd dat de burgemeester ook een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing, had kunnen opleggen. De rechtbank volgt de burgemeester in zijn standpunt dat in het geval van eiser niet met een minder verstrekkende maatregel had kunnen worden volstaan. Uit het dossier blijkt immers dat er de afgelopen twee jaren meerdere soortgelijke incidenten met eiser hebben plaatsgevonden. Dat heeft eiser er niet van weerhouden om zich opnieuw op de openbare weg op te houden met een handelshoeveelheid soft- en harddrugs. Het is niet aannemelijk dat een waarschuwing aan eiser voldoende effect zal sorteren. Het opleggen van een preventieve last onder dwangsom acht de rechtbank daarom noodzakelijk om eiser te weerhouden van het ongewenste en strafwaardige gedrag.
4.6
Evenwichtigheid
Als eiser zich aan de voor een ieder geldende wet- en regelgeving houdt, heeft hij geen last van de last onder dwangsom. Daarom kan niet worden gezegd dat de last niet evenwichtig is. Een belangafweging op basis van eisers persoonlijke belangen maakt dit niet anders.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid eiser een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen.
Is de hoogte van de dwangsom redelijk?
4.7
Eiser stelt dat de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. De burgemeester heeft geen beleid op grond waarvan de hoogte van de dwangsom is vastgesteld. In andere gemeenten worden er, voor soortgelijke overtredingen, lagere dwangsombedragen opgelegd terwijl het gaat om hetzelfde te beschermen belang. Eiser verwijst hierbij naar verschillende uitspraken van rechtbanken.
4.8
Ter zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester toegelicht dat er geen beleid is, maar dat er afspraken zijn gemaakt met acht gemeenten uit het politiedistrict [naam politiedistrict] . Er lopen momenteel tien soortgelijke zaken waarin dezelfde dwangsom is opgelegd. Bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom is rekening gehouden met de gevaren en het leed van de handel in verdovende middelen en het grote financiële gewin in het drugscircuit. In het geval van eiser heeft de burgemeester de hoogte van de dwangsom tevens gebaseerd op het feit dat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden en dat het gaat om harddrugs. Verder heeft de burgemeester er op gewezen dat er naast uitspraken waarin lagere dwangsommen zijn opgelegd, ook uitspraken zijn waarin hogere dwangsommen zijn goedbevonden.
4.9
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de dwangsom in redelijke verhouding dient te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. De hoogte van de dwangsom is door de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd en staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Dat in andere gemeenten lagere dwangsommen worden opgelegd, zoals eiser heeft aangevoerd, doet niet af aan de in dit geval gegeven motivering en maakt niet dat sprake zou zijn van inconsistentie of willekeur.
5.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.S.J. van Kooij, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 30 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wettelijk kader
Gemeentewet
Artikel 125
1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
Het derde lid bepaalt dat de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van de regels welke hij uitvoert.
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:32
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente [plaatsnaam] (APV)
Op grond van artikel 2.74 van de Apv is het, onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, verboden om zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en/of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Voetnoten

1.Zie onder andere ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en 335.
2.ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.