ECLI:NL:RBZWB:2022:3525

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 juni 2022
Publicatiedatum
29 juni 2022
Zaaknummer
AWB- 22_38
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep WIA-uitkering

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen de hoogte van haar WIA-uitkering, specifiek over de berekening van het dagloon waarbij inkomsten als alfahulp niet waren meegenomen. Na het bestreden besluit heeft verweerder het besluit gewijzigd en de inkomsten alsnog meegenomen, waarop verzoekster haar beroep introk.

De rechtbank beoordeelde het verzoek tot proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a Awb, omdat het beroep was ingetrokken vanwege gedeeltelijke tegemoetkoming. Verzoekster had tijdens de bezwaarfase geen proceskostenvergoeding gevraagd, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de beroepsfase.

De rechtbank achtte het verzoek kennelijk gegrond en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van €759,-, gebaseerd op de kosten van rechtsbijstand. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van €50,- door verweerder vergoed moet worden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot verweerder moet wenden.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster van €759,-.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/38

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2022 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.S.W. van Vossen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 16 september 2021 (primair besluit) heeft verweerder aan verzoekster een uitkering toegekend op grond van de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA-uitkering), onderdeel van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
In het besluit van 16 december 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster met betrekking tot de hoogte van het dagloon ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en hierbij onder meer aangevoerd dat de in de referteperiode genoten inkomsten als alfahulp eveneens moeten worden meegenomen in de berekening van de WIA-uitkering.
In het besluit van 14 april 2022 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en besloten dat de in de referteperiode genoten inkomsten als alfahulp wel worden meegenomen in de berekening van de WIA-uitkering.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij zich kan vinden in het verzoek om proceskostenveroordeling.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Verzoekster heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 27 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.