ECLI:NL:RBZWB:2022:3362
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing handhavingsverzoek beukenhaag wegens voldoende verkeersveiligheid
Eiser woont nabij een kruising waar een beukenhaag staat die volgens hem de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Hij verzocht het college van burgemeester en wethouders van Breda handhavend op te treden tegen de haag, omdat deze te hoog zou zijn en het zicht op het fietspad belemmert. Het college wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het niet relevant is of de haag op gemeente- of privégrond staat, aangezien het college tegen beplanting op beide gronden kan optreden. De rechtbank stelt vast dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen, omdat de verkeerssituatie ter plaatse voldoende veilig is. Dit wordt onderbouwd door de aanwezigheid van verkeersdrempels, haaientanden en een verkeersspiegel die het zicht verbeteren.
Eiser voerde aan dat er meerdere bijna-ongelukken zijn geweest en dat de verkeersspiegel slechts schijnveiligheid biedt, maar deze stellingen zijn onvoldoende onderbouwd met bewijs of deskundigenrapporten. De rechtbank acht de door het college en de verkeersdeskundige gegeven toelichtingen en maatregelen voldoende om te concluderen dat de haag niet te hoog is en de verkeersveiligheid niet in gevaar brengt.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet af van een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek tegen de beukenhaag wordt ongegrond verklaard omdat de verkeerssituatie voldoende veilig is.