ECLI:NL:RBZWB:2022:3312
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete voor gebruik niet-eigen bestuurderskaart in strijd met Arbeidstijdenwet
De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde op 30 januari 2020 een bestuurlijke boete van €4.400,- op aan eiser wegens het gebruik van een niet op zijn naam gestelde bestuurderskaart tijdens het besturen van een vrachtwagen op 13 april 2019. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 4 januari 2021 werd afgewezen, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.
Tijdens een controle op 30 april 2019 constateerde een inspecteur dat eiser de bestuurderskaart van zijn broer gebruikte, die niet beschikte over het juiste rijbewijs. Eiser verklaarde dit te hebben gedaan om zijn eigen weekendrust correct te kunnen registreren. De rechtbank oordeelde dat de verbalisant zorgvuldig had gehandeld, de cautie tijdig was gegeven en dat het gebruik van de kaart een overtreding vormde.
De rechtbank vond de opgelegde boete niet onredelijk of onevenredig hoog, mede gelet op het beleid en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de bestuurlijke boete van €4.400,- wordt gehandhaafd.