ECLI:NL:RBZWB:2022:3237

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juni 2022
Publicatiedatum
14 juni 2022
Zaaknummer
AWB- 21_2773
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tijdigheid bezwaarschrift

Verzoekster diende bezwaar in tegen een terugvordering van dubbel betaalde Ziektewet- en Toeslaguitkeringen over de periode van augustus tot november 2020. Verweerder verklaarde het bezwaar aanvankelijk niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Na beroep trok verweerder dit besluit in en verklaarde het bezwaar alsnog tijdig en ongegrond.

Naar aanleiding van de intrekking van het beroep verzocht verzoekster om vergoeding van proceskosten. Verweerder stemde hiermee in. De rechtbank oordeelde dat verweerder gedeeltelijk aan het beroep tegemoet was gekomen en wees het verzoek tot proceskostenveroordeling toe.

De proceskosten werden vastgesteld op €759,- voor de beroepsmatige rechtsbijstand. Kosten van de bezwaarprocedure werden niet vergoed omdat het bezwaar ongegrond bleef. Verzoekster wordt geadviseerd het griffierecht rechtstreeks bij verweerder te verhalen.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €759,- aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/2773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2022 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.J.B.C. Maton),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 23 februari 2021 (primair besluit) heeft verweerder de dubbel betaalde Ziektewetuitkering en Toeslaguitkering over de periode van 5 augustus 2020 tot en met 29 november 2020 teruggevorderd.
In het besluit van 20 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoekster te laat was met het indienen van het bezwaarschrift.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en gesteld dat zij wel tijdig was met het indienen van het bezwaarschrift.
In het besluit van 24 februari 2022 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten dat het bezwaarschrift toch tijdig was ingediend. Verweerder heeft daarom alsnog het bezwaarschrift in behandeling genomen en ongegrond verklaard.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij zich kan vinden in het verzoek tot veroordeling in de proceskosten.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1). Er bestaat geen aanleiding voor het vergoeden van de kosten van de bezwaarprocedure. Artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend worden vergoed voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen. Hiervan is geen sprake. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de terugvordering ongewijzigd in stand gelaten.
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 13 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.