Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende kocht een onroerende zaak, een voormalig pakhuis, waarvan de bestemming was gewijzigd naar wonen en waarvoor een bouwvergunning voor drie stadswoningen was verleend. De levering betrof een onverdeeld aandeel in het pand, waarbij de overdrachtsbelasting aanvankelijk tegen het 2%-tarief was voldaan. De inspecteur legde echter een naheffingsaanslag op omdat volgens hem het hogere tarief van 6% van toepassing was, omdat het pand op het moment van overdracht niet als woning bestemd was.
De rechtbank overwoog dat de vraag of het pand als woning bestemd is, moet worden beantwoord aan de hand van de kenmerken van het bouwwerk zelf op het moment van overdracht, niet aan de hand van de gewijzigde bestemming in het bestemmingsplan. De verbouwing tot woningen was pas na de overdracht begonnen en de beperkte werkzaamheden voorafgaand aan de levering waren onvoldoende om te concluderen dat het pand naar zijn aard al als woning bestemd was.
Daarom is belanghebbende niet geslaagd in de bewijslast om het 2%-tarief te rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de naheffingsaanslag en belastingrente. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt gehandhaafd.